Oorlog
Foto: Evgeniy Maloletka, NTB

Vechten

Uit recent onderzoek is gebleken dat 16% van de Nederlanders bereid is voor het vaderland te vechten in het geval van een militair conflict. Het werd gebracht als een zorgwekkend laag percentage, maar ik vond het nogal wat, zestien procent: dat betekent dat behalve alle ongevaccineerde mensen, van wie we al wisten dat ze bereid waren hun leven te offeren, blijkbaar ook nog een paar anderen de strijd willen aangaan.

De harde kern van Feyenoord kun je om een boodschap sturen, maar ondanks de verrassend succesvolle campagne gericht op de destructie van Europese steden vormt die – goddank – bij lange na geen 16 procent van de Nederlandse bevolking. We worden steeds vaker opgeschrikt door mensen die eigenlijk in een gesloten inrichting thuishoren, daar soms ook zelf om verzocht hebben, in plaats daarvan vrij rondlopen met een vuurwapen en dat ook gebruiken; maar ook dat is – goddank – maar een enkeling.

Wie zijn dan in godsnaam die paar miljoen Nederlanders die wél vol overtuiging het land zouden gaan verdedigen?

Het moge duidelijk zijn dat ik niet tot deze groep behoor. Zelf zou ik niet weten hoe snel ik weg zou moeten wezen zodra de bommen beginnen te vallen – met of zonder kat, daar ben ik nog niet helemaal uit. De oproep tot mobilisatie zou ik vermoedelijk missen omdat ik op dat moment heel geconcentreerd aan het stofzuigen ben. Of nee sorry, ik moet donderdag al naar het theater. Volgende keer, Kajsa!

Het heeft ook werkelijk geen enkel nut om mensen zoals ik een wapen in handen te geven. Ik zou totaal niet begrijpen hoe zo’n ding werkt, en oog in oog met een vijandelijke strijder zou ik hem vermoedelijk vriendelijk vragen of hij het misschien wel weet en me zou willen helpen.

Mijn eigen talenten liggen meer op taalkundig vlak. Zo kan ik aan de strijdkrachten helder uiteenzetten waarom ‘acht’ in ‘geef acht’ niet een bepaald hoofdtelwoord is maar een zelfstandig naamwoord. En ik kan feilloos de drogredenen in de retoriek van de vijand blootleggen, een kwaliteit die in oorlogstijd nog weleens wordt onderschat. Zo’n Poetin bijvoorbeeld had ik er, zonder dat hij er ook maar iets tegen in zou kunnen brengen, overtuigend van kunnen doordringen dat zijn argumentatie op drijfzand berust – en dan was toch mooi het bier niet zo duur geworden.

Maar vechten? Verder dan het incidenteel elimineren van een op de zenuwen werkende mug – na een strijd die ik ondanks het numerieke overwicht van de tegenstander steevast met vertrouwen aanbind – zie ik mezelf niet komen. En wees eerlijk: kijk om je heen in je vriendenkring, op kantoor of in de supermarkt en je ziet gewoon dat we het tegen Andorra onvoorstelbaar moeilijk zouden hebben. Een bataljon bleekscheten en bangebroeken, dat zijn we.

Eerlijkheidshalve moet ik er wel bij zeggen dat het uitmaakt wie de agressor is tegen wie we het zouden moeten opnemen. Als de Scandinaviërs komen, zou ik misschien overwegen om aan hun zijde mee te strijden om enkele van hun omgangsvormen over te dragen op de Nederlandse bevolking. Maar als het daadwerkelijk Poetin is die besluit om deze kant op te komen, wie weet wat voor onvermoede oerinstincten er dan naar boven komen. Die Russen zijn zo verzot op olie en gas dat ze het waarschijnlijk ook onder jouw en mijn huis gaan opboren, en dat moeten we natuurlijk niet hebben.

Maar wat gaan we doen, zelfs als we wel tot op het bot gemotiveerd zijn? In de tijd dat die allesvernietigende bom vanuit Kaliningrad onderweg is naar ons land – ergens tussen de 106 seconden naar Berlijn en de 202 naar Londen – heb ik de veters van mijn kisten nog niet eens kunnen strikken. Eigenlijk denk ik dat ik me dan nog het allerliefst zou spoeden naar de plek waar dat projectiel zou inslaan, om het in hoogsteigen persoon op te vangen, teneinde er absoluut zeker van te zijn dat ik deze ellende niet zou overleven of hoeven meemaken.

Nieuwe stukjes in je mailbox?

Meld je aan en ontvang een mailtje bij elk ei dat gelegd is.
Loading

Een gedachte over “Vechten”

  1. Wist altijd al dat het een goed idee was om indertijd een Russische vlag te kopen. Echt zo’n moment dat ik de Voorzienigheid op mijn knikkende knieën dank. Mochten de Russen een paar honderd soldaten (meer zijn er niet nodig) om Nederland onder de voet te lopen omdat zij het zonde vinden om een raket van een paar miljoen Roebel op Rotterdam te werpen (en daarmee 80 procent van ons leuke landje te nivelleren), zet mij dan maar in de frontlinie. Ofwel ben ik dood bij de eerste schotenwisseling, of de tegenpartij ligt plat van het lachen bij het aangezicht van een 54-jarige meneer van 1.40m met bierbuik die probeert een geweer op te tillen terwijl hij zijn schiethand niet om de trekker kan krijgen omdat die eenvoudigweg te ver is om te bereiken. In elk geval heb ik kwaliteiten die mij bij gevangenschap in leven houden. Om de troepen te vermaken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.