Hemelpoort

Een jaar of zestien zal ik zijn geweest. De donshaartjes op mijn wangen begonnen zich langzaam maar zeker tot echte baardharen te ontwikkelen, maar ik mocht als bijna-volwassene nog altijd op een kinderkaartje mee naar binnen bij Sparta. Dat was geen regel van Sparta; nee, dat was een regel van mijn vader. Sparta zelf legde de leeftijdsgrens bij 11 jaar, maar mijn vader vond dat vijf jaar later nog steeds allemaal maar flauwekul. “Ik ga toch godvergeme geen elf gulden vijftig voor een kind betalen als het ook voor tweevijftig kan?”

Talloze wedstrijden hebben we zo gezien op het Kasteel. Mooie wedstrijden, spannende wedstrijden, maar vooral ook heel veel afzichtelijke wedstrijden. Maar dat voetbal, dat was eigenlijk maar bijzaak. Met je vader naar het stadion, dat was de essentie. Daar zitten, daar zijn en een beetje mopperen op wat zich op het veld afspeelde. “Wat een ziekenhuisbal”, “Haal die vent er toch uit”, “Snap jij dat nou, dat ze die nog opstellen?” en vooral heel veel “tsjonge jonge jonge”.

Als Sparta bijvoorbeeld tegen Ajax speelde, waren er überhaupt geen kinderkaartjes. Dat werd weliswaar in koeienletters boven de kassa aangekondigd, maar dat weerhield mijn vader er natuurlijk niet van om gewoon ‘eenmaal en een kinderkaartje’ te bestellen.
Uiteindelijk kocht hij alleen een kaartje voor zichzelf. Ik moest vooruitlopen, ‘komt eraan’ zeggen tegen de man die de kaartjes controleerde; die kreeg vijf gulden in zijn hand gedrukt en zo was ik binnen, en iedereen blij.
“Kijk Bart, zo doen we dat”, zei hij dan.

Ik wil zijn optreden hier niet goedpraten – had hij maar gewoon betaald, dan had Sparta misschien eens een keer een fatsoenlijke spits of keeper kunnen kopen – maar het is niet zo dat we vandaag afscheid nemen van een oplichter. Wel van een echte Rotterdammer (vandaar ook: voor Sparta) die met typisch Rotterdamse humor – niet van dat moeilijke – probeerde de dingen naar zijn hand te zetten door een beetje buiten de lijntjes te kleuren.

Daarover gesproken: toen ik op de middelbare school genadeloos geconfronteerd werd met het feit dat mijn vader bepaalde talenten niet aan zijn nageslacht had doorgegeven – in dit geval: kunnen tekenen – maakte hij minstens een jaar lang mijn huiswerk voor dat vak. Elke week moest ik een object tekenen – een kussen, een paperclip, dat soort dingen – en elke week deed mijn vader dat voor mij. Maar nu komt het: toen de tekenleraar jaren later bij hem in de kapsalon kwam, vertelde hij, vol trots over zijn zwendelarij, dat hij nog wel eens een 8 voor een prop papier bij de arme man had gehaald. Dat was mijn vader ten voeten uit. Iemand in de zeik nemen, er een grap van maken en er dan verder ook niet moeilijk over doen. “Geen gelul van ik wist het niet.”

Behalve tekenen zijn er wel meer eigenschappen die in ieder geval ik niet van mijn vader heb meegekregen. Zo zijn mijn broer en ik gezegend met vier linkerhanden, terwijl mijn vader op zijn manier best handig was. Dat wil zeggen: wat hij tekortkwam aan vakmanschap, compenseerde hij met inventiviteit, doorzettingsvermogen en ook weer die verdomde eigenwijsheid. Daarmee kreeg hij veel voor elkaar.

Dat gold bijvoorbeeld ook voor de tuin. ‘Hij lult maar wat’, dacht ik weleens als hij onze tuin kwam inspecteren, bijvoorbeeld toen hij onze pruimenboom voor een Japanse kers aanzag. Maar kijk naar hoe zijn eigen tuin erbij staat en je kunt weinig inbrengen, of het moest zijn dat het meeste vuile werk door zijn vrouw werd gedaan.

Was hij een meesterchef? Mwoah. Maar de liefde waarmee zijn vrouw en hij iets op tafel zetten, maakte het altijd een feest om bij hen te eten, al was het – tussen ons gezegd en gezwegen – ook hier zijn vrouw die het meeste werk deed. Nou ja, aan tafel vervulde hij een sleutelrol: als een poortwachter waakte hij over de wijnfles. Niemand mocht daar aan zitten en alleen hij bepaalde wanneer iemand er iets bij kreeg.

Warmte, improvisatie en charme gingen kortom vaak boven kille precisie bij mijn vader. Liever met liefde een beetje aanklooien dan precies weten hoe iets moest. Maar hij wás wel een vakman. 52 jaar stond hij in de kapsalon die hij uiteindelijk van zijn vader had overgenomen. Of hij het kappersvak technisch goed beheerste? Ongetwijfeld. Maar van één aspect weet ik zeker dat hij er uitzonderlijk goed in was: hij maakte zichzelf mateloos geliefd. Dat bleek wel bij zijn pensionering, toen klanten tot tranen toe geroerd waren. Sommigen leken wel ten einde raad wat zij verder nog met hun leven aan moesten nu hun kapper ermee ophield. Ik wist niet wat ik meemaakte. Dat een kapper zo belangrijk kon zijn voor mensen, had ik voor onmogelijk gehouden. En het was niet één psychisch misschien wat labiel persoon die dit merkwaardige gedrag vertoonde, nee, zijn halve klantenbestand was er zo aan toe.

Toch stopte hij ermee, en hij vertelde later dat hij geen moment terug heeft verlangd naar het werken in de zaak. Het was klaar, en nu was het tijd om te genieten van zijn oude dag in de tijd die hem nog restte. Die tijd, wist hij, was beperkt, want hij was op dat moment al ziek.

Moeten we het vandaag nog over die kloteziekte hebben? Zeker. Mijn vader is vanaf het moment dat hij ziek werd een ander mens geworden, een betere versie van zichzelf. Twintig jaar geleden is het dat hij aan zijn alvleesklier geopereerd moest worden. Die operatie an sich was al levensbedreigend, en de vooruitzichten waren niet best: van de patiënten leefde na drie jaar nog maar 30%. Maar tegen mij sprak hij de dag voor zijn operatie de welhaast profetische woorden: “Mij krijgen ze niet klein, jochie.”

Om alle misverstanden te voorkomen: het is niet zo dat hij vóór die tijd in een wijntje spuugde, leefde op een sober dieet of nooit iets leuks deed, maar plotseling was hij doordrongen van het feit dat het allemaal nu moest gebeuren. Beter vandaag dan morgen. Of, zoals hij ook wel zei: “ik leef nu in blessuretijd.”

Nu hebben we bij Sparta zat kansloze wedstrijden gezien waarbij mijn vader aan het eind van de tweede helft zei: “Al voetballen ze nog een jaar zo door, dan maken ze nog geen goal.” Maar in zijn eigen blessuretijd was bijna elke dag raak. Ineens reisde hij de hele wereld over, en ook thuis genoot hij met volle teugen van lekker eten en lekker drinken, in zijn tuin, achter de barbecue of voor de open haard, trouwens altijd op die stomme pantoffels van hem. Heel graag kwam hij op bezoek, goedkeurend zijn fuchsia in onze tuin bekijkend, trots op hoe we voor onze pleegdochter zorgden en niet zelden eindigend in een restaurant. Het is niet voor te stellen dat hij dat allemaal niet mee zou hebben gemaakt.

Wat niet veranderde, was zijn eigenwijsheid. Maar zelfs met die impopulaire eigenschap kon mijn vader nog innemend zijn en mensen voor zich winnen. In de laatste maanden van zijn leven ging ik regelmatig met hem mee als hij voor bloedonderzoek naar het ziekenhuis moest. Ik reed hem in zijn rolstoel naar de prikkamer, waar de verpleegkundige natuurlijk ogenblikkelijk aanbood de prikstoel weg te rijden zodat hij kon blijven zitten.
“Ben je besodemieterd!”, zei hij dan. “Ik sta gewoon op en ga in die stoel zitten.”
Alleen: dat opstaan ging bijna niet meer. Plaatsvervangend ergerde ik me dan kapot aan zo’n stronteigenwijze vent die voor zo veel oponthoud zorgde. Maar tegen mijn vader bleven ze om een of andere reden altijd vriendelijk en opgewekt.

Kort voor zijn overlijden zei hij dat ook tegen de dame van de thuiszorg. De oncoloog, diens assistente, de huisarts, de mensen in het ziekenhuis, de mensen van de thuiszorg, de palliatief verpleegkundige: iedereen was altijd zo aardig voor hem geweest, zei hij.
“Maar meneer”, was de reactie, “begrijpt u dan niet dat u dat zelf bent?”

En toen begreep ik waarom die mensen bij het bloed prikken nooit geërgerd waren. Mijn vader kwam daar zélf altijd met een glimlach binnen, ontwapenend en innemend als hij was. Hij was werkelijk in staat om dat wat zwaar is een beetje lichter te maken, en daarom was hij een geliefde patiënt. Zelfs zijn chemokuren ontving hij met een lach op zijn gezicht.

Zijn ijzeren wil, zijn levenslust en zijn optimistische geest hielden hem lange tijd letterlijk en figuurlijk op de been. Het laatste jaar ging hij hard achteruit, maar net als die laatste, ongelooflijke klotewedstrijd die wij samen op het Kasteel bezochten, had ik het voor geen goud willen missen. Hijzelf ook niet: hij heeft zijn kleinkind geboren zien worden, wat hem vervulde van trots, en heeft zowel met mij als met mijn broer als met anderen nog goede gesprekken gevoerd. Dat gaf hem veel rust.

De laatste periode heb ik van heel dichtbij meegemaakt. Dat was soms moeilijk, maar vooral heel fijn, leerzaam en waardevol. Het was daarbij een enorm geluk dat hij thuis kon blijven, want, zo zei hij zelf, “ik word door niemand zo goed verzorgd als door mijn vrouw”. En zo was het. Hij bleef de dingen zo lang mogelijk op zijn manier doen. Als hij niet lekker lag, had hij bijvoorbeeld een heel ritueel om iets hoger op zijn kussen te gaan liggen. Dan was hij vijf minuten in de weer, met een van pijn vertrokken gezicht, om twee centimeter hogerop te komen. Als hij dan weer goed lag, ontspande zijn gezicht en zei hij tevreden: “Kijk Bart, zo doen we dat.”

Uiteindelijk hebben ‘ze’ mijn vader toch klein gekregen. Maar het is goed zo. Want

Vroeger of later
ga je dood
Dat staat als een paal
boven water
Zo oud als Sparta
word je nooit

En als je gaat
is het je tijd geweest
Dat is een ding
dat zeker is

Zo niet
ofter een hemel is
maar álster een is
dan zal je zien
dat de Hemelpoort – o!
brok in ons keel –
verdacht veel weg heeft
van het Kasteel

Dit is een bewerking van de tekst die ik voordroeg tijdens de uitvaart van mijn vader op 25 november 2020. Gedicht “Spartaans gedicht” (1991) van J.A. Deelder.

Blijf op de hoogte

Meld je aan en ontvang een mailtje bij elk ei dat gelegd is.
Loading

7 gedachtes over “Hemelpoort”

  1. Gecondoleerd, beste Bart. Ik ben ontroerd door de mooie ode aan je eigenwijze vader. Veel sterkte, voor jou, en voor de dierbaren.

  2. Lieve Bart,

    Wat heb je dit prachtig verwoord. Zoals alleen jij dat kan. Gecondoleerd en veel sterkte. Het was, is en wordt niet makkelijk, maar de mooie herinneringen zijn er.

    Hou je taai.
    En ook voor Hans veel sterkte

    Daan

  3. Wat mooi geschreven! Ouders zijn toch degenen die er altijd al waren, jouw hele leeftijd! Tot dat onvermijdelijke. Had er onlangs zelf mee te maken, maar probeer me te troosten met de gedachte dat hij het mijne (dat komt natuurlijk ook ooit) niet heeft hoeven meemaken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.