Betr.: Uw vacature

Gehate Verachte Geachte president,

Uw advertentie in de Staatscourant van dinsdag 1 februari jl., waarin u aangeeft op zoek te zijn naar diverse demonstrantenslopers, trok onmiddellijk mijn aandacht. Vanwege mijn kennis en ervaring denk ik een zeer geschikte kandidaat te zijn, en daarom maak ik graag van de gelegenheid gebruik om mij via deze brief aan u voor te stellen.

De werkzaamheden die u beschrijft zijn mij op het lijf geschreven. Het gooien van stenen bijvoorbeeld is voor mij een tweede natuur; ik deed het als klein jongetje al richting joden, christenen, vrouwen en u weet wel, richting hen die wij van flatgebouwen behoren te werpen. Zoals u uit mijn bijgevoegde curriculum vitae kunt opmaken, heeft mijn werkzame leven zich voornamelijk in het gevangeniswezen afgespeeld. Daar heb ik de praktijkervaring die ik in mijn jeugd heb opgedaan verder verdiept en ontwikkeld. Zodoende ben ik softwarematig zeer goed onderlegd (zwaard, kapmes en hakbijl kennen voor mij geen geheimen), maar ook voor het programmeren van een molotovcocktail draai ik mijn hand niet om.

Tevens beschik ik over een kamelenrijbewijs B.

Om in aanmerking te komen voor mijn laatste, zeer zware functie bij de Abu Zaabal-gevangenis in Cairo heb ik diverse praktijkopdrachten op het gebied van moord, marteling en terrorisme succesvol ten uitvoer gebracht. Ik werd daarvoor beloond met een kamer voor mijzelf alleen en verschillende assistenten die mij dagelijks begeleidden. Eerder deze week werd ik echter volkomen onverwacht en zonder opgaaf van reden ontslagen. Eerlijk gezegd ben ik daar niet zo rouwig om; Abu Zaabal is een ambitieus bedrijf waar de concurrentie moordend is, en na 22 jaar ben ik wel weer eens toe aan een nieuwe uitdaging.

Het lijkt mij een eer om voor uw bedrijf te mogen werken. Uw organisatie brengt dagelijks meer mensen op de been dan U2 en FC Barcelona bij elkaar, en ik heb daar diepe bewondering voor. Ik wil daar graag mijn steentje aan bijdragen, als u mij deze woordgrap permitteert.

Ik ben een gedreven en harde werker, consciëntieus ook, die pas opgeeft als hij zijn doel bereikt heeft. Ik werk graag met mensen, en hoewel ik geen ervaring heb met journalisten – waar u expliciet naar vraagt – verwacht ik dat dit geen enkel probleem zal zijn, gezien met ruime ervaring met andere willoze slachtoffers.

Uiteraard zijn kennis en ervaring alleen niet voldoende; je moet bijvoorbeeld ook in een team en bij de organisatie passen. Ik hoop daarom dat u mij uitnodigt voor een persoonlijk gesprek, waarin wij dit nader kunnen onderzoeken.

Helaas ben ik op dit moment door omstandigheden zowel telefonisch als per e-mail slecht bereikbaar. Omdat er uit uw advertentie toch een zekere urgentie sprak, stel ik voor dat ik, vooruitlopend op mijn aanstelling, mijn werkzaamheden alvast aanvang. Daarbij zal ik in eerste instantie de journalisten belagen, en wel zodanig dat u mijn functioneren kunt beoordelen aan de hand van de beelden die de cameramannen in hun doodsangst schieten – ervan uitgaande dat de verderfelijke westerse zenders op uw toestel nog wel te ontvangen zijn. Bijkomend voordeel is dat wanneer de journalisten verjaagd zijn, de operatie met betrekking tot de burgers geruislozer kan verlopen.

In afwachting van uw reactie verblijf ik,

Met zeer grote hoogachting,

Hassan Suleiman – inderdaad, familie van ;-)

P.S. Ik veronderstel dat u in het theoretische geval van gelijke geschiktheid de voorkeur geeft aan een man.

Ramplessen

Hoewel het zeker geen linkse hobby is, is het maken van generalisaties van onschatbare waarde voor de kwaliteit van ons bestaan – ja, generalisaties helpen ons zelfs overleven. Dat begint al op jonge leeftijd: als een klein kind zijn vingers brandt aan een pan met kokend water, dan weet het dat het in het vervolg moet oppassen in de keuken, maar het is niet zo dat het meteen het hele huis mijdt, of de straat, de stad of het land verlaat (‘Nederland, veel te gevaarlijk voor mij’).

Sinds wij door angst bevlogen zijn, is ons vermogen tot het maken van relevante generalisaties enigszins aangetast. Velen zien angst als een bijproduct van het populisme en zullen de beschuldigende vinger in de richting van Fortuyn wijzen, maar het zou ook wel eens de vuurwerkramp in Enschede geweest kunnen zijn waar het allemaal mee begon. Direct na die ramp, op 13 mei 2000, werd namelijk de brandveiligheid van alle vuurwerkfabrieken in Nederland uitvoerig gecontroleerd. Niemand die op het idee kwam dat, om een dwarsstraat te noemen, ook cafés wellicht in vlammen op zouden kunnen gaan; daar was de nieuwjaarsbrand in café Het Hemeltje voor nodig. Naar aanleiding daarvan werden in heel Nederland de cafés op hun brandveiligheid gecontroleerd: dus niet alleen die met licht ontvlambare kerstversiering, niet alleen die met twee verdiepingen, niet alleen die in Volendam of Noord-Holland – maar dus bijvoorbeeld ook niet die in België en Duitsland, waar ze naar de spreekwoordelijke Hel(l) konden. En alleen de cafés: nou ja, misschien hier en daar ook een disco maar zeker geen, om maar weer iets te noemen, chemische fabrieken.

Met de grote terroristische aanslagen gaat het al net zo. We weten allemaal dat 9/11 de wereld voorgoed veranderde: de wereld van de vliegtuigpassagier dan met name. De generalisatie die we uit 9/11 trokken, was dat het alleen oppassen geblazen was in het vliegverkeer, en dat we daarom alle vliegtuigpassagiers binnenstebuiten moesten keren; dus niet in alle vormen van publiek transport alleen de mannen met bruine ogen of alleen de moslims, want dat zou een foute generalisatie zijn. Er moest een aanslag (door vermoedelijk bruinogige mannen, radicale moslims bovendien) op een forenzentrein in Madrid aan te pas komen om ons te doen beseffen dat er überhaupt nog andere vormen van vervoer bestonden die het doelwit van aanslagen konden zijn. En dus kom je sindsdien in Spanje geen intercity meer in zonder dat je bagage gescand wordt (forenzentreinen wel, merkwaardig genoeg), maar kun je in 2005 nog wel probleemloos een bom in de Londense metro plaatsen, waarna we ook in Amsterdam liever even met de tram gaan. Of met de bus, want er mag dan ook een dubbeldekker opgeblazen zijn, maar die hebben we hier niet.

Inmiddels is het zover dat wie in de WK-finale een kans voor open doel mist, een half jaar niet meer durft te voetballen.

Het is eng hoe dat werkt, angst. Want iedereen weet: als sinds de oerknal, mocht die zich op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld, nog nooit een vuurwerkramp van Enschedese proporties heeft plaatsgevonden en het gebeurt een keer, dan is er statistisch gezien een dag later nauwelijks een veiliger plek te bedenken dan een willekeurige andere vuurwerkfabriek in Nederland. En toch gaan we na ‘Moerdijk’ natuurlijk kijken naar de veiligheid bij chemische bedrijven – en niet bij de branche waarin het volgende ongeluk gaat plaatsvinden.

Ach, die arme Pavlov en zijn trouwe viervoeter, die hadden het toch allemaal zo kwaad niet bedoeld.

iPhone

Van alle mensen op de wereld heeft een fractie een iPhone. Toegegeven, het zijn er veel te veel en het lijken er nog meer te zijn doordat de bezitters de godganse dag over dat apparaat moeten praten en het dan niet gewoon hebben over hun telefoon of smartphone, zoals andere smartphone-eigenaars doen, maar over hun iPhone. “Schat, zet jij vast de Samsung LE32B650 aan? Ik wil het journaal graag zien. Dan doe ik de pizza’s vast in de Siemens HB23AB520E.”

Van alle mensen op de wereld die in het bezit zijn van een iPhone had een miniem deel op zondag 2 januari 2011 iets zo belangrijks te doen dat de wekker ervoor gezet moest worden. Daarbij moet wel worden aangetekend dat mensen die een iPhone hebben relatief vaker iets belangrijks te doen hebben waarvoor de wekker gezet moet worden dan mensen die geen iPhone hebben. Dat komt doordat ze een iPhone hebben.

Van de mensen die een iPhone hebben en die op zondag 2 januari 2011 iets zo belangrijks te doen hadden dat de wekker ervoor gezet moest worden, gebruikt een te verwaarlozen deel de wekfunctie van de iPhone. Wel is het zo dat mensen met een iPhone vaker gebruikmaken van de wekfunctie van hun smartphone dan andere smartphone-bezitters, die bijvoorbeeld een wekker gebruiken. Dat is omdat ze een iPhone hebben, en sekteleider Steve Jobs ze wijs heeft gemaakt dat je de iPhone overal voor kunt, nee, moet gebruiken – nou ja, behalve dan voor het afspelen van Flash-filmpjes en voor allerlei andere dingen die niet mogen van de sekte, maar dat laatste is niet erg, want als het niet mag van de sekte, waarom zou je het dan nog willen.

Van de mensen die een iPhone hebben en die op zondag 2 januari 2011 iets zo belangrijks te doen hadden dat de wekker ervoor gezet moest worden en daarvoor de wekfunctie van hun iPhone gebruikten, is het grootste deel gewoon uit zichzelf op tijd wakker geworden. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat iPhone-bezitters, en vooral de gebruikers van de wekfunctie, minder snel uit zichzelf wakker worden dan andere mensen, die bijvoorbeeld afgaan op hun bioritme. Dat is omdat ze een iPhone hebben, en blind vertrouwen op de techniek van diens wekfunctie.

Van de mensen die een iPhone hebben en die op zondag 2 januari 2011 iets zo belangrijks te doen hadden dat de wekker ervoor gezet moest worden, daarvoor de wekfunctie van hun iPhone gebruikten en niet uit zichzelf wakker werden, wist een overgrote meerderheid – is het niet uit eigen ervaring dan wel uit het nieuws – dat ze eigenlijk wel hadden kunnen verwachten de ze niet gewekt zouden worden, aangezien de iPhone twee maanden geleden ook al moeite had met de overgang van zomertijd naar wintertijd, een lastigheidje dat Microsoft al sinds 1916 onder de knie heeft.

Van de mensen die een iPhone hebben en die op zondag 2 januari 2011 iets zo belangrijks te doen hadden dat de wekker ervoor gezet moest worden, daarvoor de wekfunctie van hun iPhone gebruikten en niet uit zichzelf wakker werden terwijl ze wisten dat het ook bij de overgang van zomertijd naar wintertijd al mis was gegaan, zou je toch denken dat er vrijwel geen enkele nog zo naïef is om ook op maandag 3 januari 2011 de wekfunctie te gebruiken.

Laten we dus ruim inschatten dat van de mensen die een iPhone hebben en die op zondag 2 januari 2011 iets zo belangrijks te doen hadden dat de wekker ervoor gezet moest worden, daarvoor de wekfunctie van hun iPhone gebruikten, niet uit zichzelf wakker werden terwijl ze wisten dat het ook bij de overgang van zomertijd naar wintertijd al mis was gegaan, en die ondanks dat alles toch weer vol vertrouwen de wekker op hun apparaat hebben ingesteld voor maandag 3 januari 2011 omdat de sekteleider nu eenmaal zei dat het probleem verholpen was, er wereldwijd misschien tien zijn die niet vanuit hun laatste restje natuurlijke waakzaamheid uit zichzelf wakker zijn geworden en zich dus daadwerkelijk verslapen hebben. Tien hele domme mensen, mogen we daar gerust aan toevoegen.

WAAROM IS DIT DAN GODVERDOMME AL TWEE DAGEN IN HET NIEUWS???

Garmisch

Iedereen kent ze wel: de opdrachten die ooit heel spannend waren om uit te voeren, waar na verloop van tijd de uitdaging uit verdween en die uiteindelijk zelfs ronduit vervelend zijn geworden om je nog langer mee bezig te houden. Als u zich weer eens voor zo’n routineklus gesteld ziet, denkt u dan vooral aan Evert ten Napel: die man moet iedere nieuwjaarsdag vanuit Garmisch Partenkirchen het traditionele schansspringen van commentaar voorzien – een sport waarvoor de gemiddelde Nederlander zulke warme gevoelens koestert dat hij nog liever met zijn reet in een ijskoude Noordzee ligt.

Om het voor Evert nog enigszins draaglijk te maken, deed Studio Sport dit jaar alsof het commentaar verzorgd werd door ene Ayolt Kloosterboer, maar een kleuter kon horen dat het gewoon toch Evert ten Napel met een stemvervormer was (‘Goeie genade, daar vliegt die Hautamäki toch ver, zeg! Tsjongejonge!’) . Ayolt Kloosterboer, dat is ook zo ongeveer het slechtst denkbare pseudoniem voor iemand die van God en alle vrouwen verlaten in een Zuid-Duitse hut opgesloten wordt om commentaar te geven bij, of all things, skispringen.

Die hele Vierschansentoernee is natuurlijk een verzinsel van Mart Smeets, omdat er op nieuwjaarsdag niets noemenswaardigs op sportgebied gebeurt maar hij toch zo snel mogelijk in het nieuwe jaar pontificaal in beeld wil met een glas champagne voor zijn snufferd. Na Garmisch op nieuwjaarsdag zou er zogenaamd nog gesprongen worden in Innsbruck en Bischofshofen – welnu, die laatste plaats bestaat niet eens.

Smeets heeft er een sport van gemaakt om de regels ieder jaar wat ingewikkelder te maken. Vroeger was de opdracht eenvoudigweg om zo ver mogelijk te springen; dat je netjes op je pootjes terechtkwam was dan ook voornamelijk in het belang van de springer, die nog een tweede ronde te gaan had. Vele doden en gewonden later riep Smeets een jury in het leven, die als voornaamste taak heeft te beoordelen of de springer niet te veel last heeft van turbulentie tijdens zijn vlucht. Inmiddels worden straf- en bonuspunten toegekend voor de hoogte van de schans en de wind, en is de afstand nog slechts een bijzaak. Nog even en het aantal verkochte braadworsten tijdens de sprong wordt ook in ogenschouw genomen.

Wellicht is het Smeets’ manier om het voor Ten Napel interessant te houden, want die is dus elk jaar de helft van zijn tijd kwijt aan het uitleggen van de aangepaste regels. Maar ieder jaar weer moet Evert ook de geschiedenis van de Telemark-landing en de V-sprong uitvoerig uit de doeken doen (‘Weet u nog, die dekselse Zweed Jan Boklöv, die door iedereen werd uitgelachen om zijn eigenwijze stijl’). Dat gaat vervelen, en je merkt ook dat bij de acteurs de fut er na al die jaren een beetje uit is. Met de handen losjes op de rug sukkelen ze de schans af, en zelden is er nog een die de moeite neemt om spectaculair op zijn muil te gaan.

Een geld dat deze poppenkast kost! Uit alle windstreken worden de springers ingevlogen, en van de eerste zogenaamde wedstrijd in het eveneens imaginaire plaatsje Oberstdorf hoeft dan misschien alleen de samenvatting opgenomen te worden, er moeten toch weer een paar duizend figuranten opgetrommeld worden om in de snijdende kou als publiek te dienen. Al dat publieke geld voor minder dan een half verhaal, want ieder jaar weer schakel je vergeefs in om te horen hoe de toernee van vorig jaar nu eigenlijk is afgelopen.

En maar volhouden dat er niet bezuinigd kan en mag worden op de publieke omroep. Als er dan toch zinloze nieuwjaarssport uitgezonden moet worden, doe dan toch in godsnaam de wedstrijd tussen de Koninklijke HFC en de oud-internationals. Met commentaar van Herman Kuiphof alstublieft. Of, als die verhinderd is, van Hugo Walker.

Oma

Mijn oma van de legendarische woorden “Blief jij TUC?” is niet meer. 99 Is ze geworden, en tot het eind heeft ze de regie stevig in handen gehad. “Kom nou eens even bij me zitten”, schijnt ze enkele dagen voor haar overlijden tegen de dokter gezegd te hebben, nadat ook het allerlaatste beetje zicht uit haar ogen verdwenen was. “Zeg, luister nou even, kun je me nou niet gewoon een spuitje geven, dit is toch geen leven meer?”

Het is onwerkelijk om te bedenken hoe oma de wereld heeft zien veranderen tussen 1911 en 2010. Fijntjes werd er tijdens de uitvaart op gewezen dat begrippen als ‘file’, met amper zes miljoen landgenoten, nog helemaal niet bestonden. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was ze al moeder van drie kinderen; toen ze in 1944 mijn vader kreeg, was ze even oud als ik nu, 33. Hij is nu 66 en zij dus 99, maar ja, Harry Mulisch is ook al dood, dus wat dat te betekenen had zal wel voor altijd een mysterie blijven.

Je zou bijna vergeten dat er tijdens een lang leven niet alleen veel nieuwe dingen ontdekt worden, maar ook de nodige zaken verdwijnen. Zeer verheugd was oma dan ook toen wij bij ons laatste bezoek een pot boerenjongens voor haar meebrachten (voor de jongere lezers: Wikipedia). ‘Ach, boerenjongens, wat enig, zeg! Ik wist niet eens dat het nog bestond. Ik heb het in al die tijd dat ik hier woonde niet meer gebruikt’ – waarmee maar is aangetoond dat spijtig genoeg ook het mooiste taalgebruik soms verdwijnt.

Het computertijdperk is grotendeels aan oma voorbijgegaan, wat geen ramp is omdat haar laatste jaren voornamelijk bestonden uit het opbellen van jarige familieleden en kennissen – en alle data en telefoonnummers zaten stevig in haar linker hersenhelft gebeiteld. Maar dat ik nu haar overlijden via internet deel met allerlei mensen die ik totaal niet ken, en dat die zich dan genoodzaakt voelen om mij sterkte te wensen – van dat soort kunstmatige 21e-eeuwse constructies kon zij het bestaan absoluut niet bevroeden.

Wat dat betreft ben ik enorm jaloers op oma. De industriële revolutie bracht een hoop vooruitgang; de grootste opbrengst van de emotionele revolutie die door de sociale media is ontketend, is vooralsnog veel loos medeleven. Ik moet vaak stiekem alleen maar gniffelen wanneer een voor mij slechts virtueel bestaande relatie die eerst jarenlang uitvoerig uit de doeken is gedaan, as if I care, op een gegeven moment op de klippen loopt en iemand vervolgens ook weer zijn verdriet over de hele wereld uitstort. Hoewel iedereen ongetwijfeld uit oprechte motieven handelt zou ik me toch vooral een automatische piloot voelen als ik op zo’n moment sterkte zou gaan wensen – en dat doe ik dan dus ook niet.

Ach, waarschijnlijk ben ik gewoon een man, die dus niet gekwetst is als u dit stukje slechts ter kennisgeving aanneemt.

Intussen zijn alle ogen gericht op mijn andere oma, bekend van Groundhog Oma. Die is inmiddels 96 en loopt nog als een kieviet. Als je het mij vraagt, wordt ze minstens 110.

De radarisering van de samenleving

bijdrage in het kader van sargasso‘s week van het hardnekkig optimisme

Het enige wat in het hedendaagse Nederland werkelijk tot pessimisme stemt, is het ongebreidelde pessimisme van de bevolking, daartoe opgezweept door televisieprogramma’s als Kassa en Radar. Ooit begonnen als kritische doch brave consumentenprogramma’s zijn deze inmiddels verworden tot een onmetelijke katalysator van chagrijn, gezeik en onvrede, met wekelijkse mantra’s als ‘u betaalt te veel’, ‘u krijgt te weinig’, ‘u moet te lang wachten’ of ‘de kwaliteit is niet goed’. Als de radarisering van de samenleving in combinatie met de vergrijzing doorzet, ontstaat over niet al te lange tijd een heuse tsunami van hoogbejaard verstokt gemekker en gemopper – een waar schrikbeeld als u het mij vraagt.

In werkelijkheid hebben we natuurlijk nauwelijks iets te klagen. Wanneer we ons, gezeten achter onze reerug op een bedje van aardperenmousse, slechts kunnen opwinden over de wachttijden bij UPC, of de prijs van de reerug sombertjes afzetten tegen de hoeveelheid ruggen die nog op de spaarrekening resteren, dan is er weinig aan de hand.

Zolang ze in Pakistan de lokale giro 555 niet openstellen voor de slachtoffers van de sneeuw in Nederland (‘Verschrikkelijk, moet je die beelden zien! Hele gebieden wit! Maar als we geld geven komt het vast in handen van corrupte Kamerleden’) en men in Rusland geen geld inzamelt om de Nederlanders de winter door te helpen, zal het allemaal wel meevallen met die kou.

Zolang ze vanuit Zwitserland geen wintervaste treinen ter beschikking stellen aan die arme Nederlanders moeten we misschien maar schoorvoetend accepteren dat er bij de geringste sneeuwval in principe nooit treinen rijden, en dan valt het allemaal reuze mee.

Zolang ze in donker Afrika niet drie stamoudsten een week lang zonder eten opsluiten in een glazen hut om daar middels tamtamgeluiden aandacht te vragen voor de arme Nederlandse kindertjes van ouders met griep, kunnen wij met goed fatsoen met de trein, want hij rijdt, naar Eindhoven om de kou te trotseren, want we hebben warme kleren, en geld weg te geven aan een goed doel waarvan we even zijn vergeten welk het ook alweer precies was, maar dat geeft niks want we hebben het geld toch in overvloed.

Is de politieke situatie dan misschien iets om somber van te worden? Flauwekul, die biedt alleen maar aanleiding tot uitbundig optimisme.

We moeten er nog even op wachten, maar het btw-geld van theatervoorstellingen en popconcerten stroomt straks met bakken tegelijk binnen; daar kan vervolgens de prachtigste kunst van gemaakt worden. Bezuinigingen op onderwijs zijn niet alleen hoopgevend omdat we kunnen uitkijken naar het onvermijdelijke moment waarop er weer méér geld aan onderwijs wordt uitgegeven; ze garanderen bovendien de broodwinning van een hele generatie werknemers, die makkelijker tot hun pensioen aan het werk zal blijven omdat hun kennis broodnodig is. En anders zullen we expertise uit het buitenland moeten importeren, waarmee we weer nieuwe culturen kunnen verwelkomen. Waar tegen die tijd alle ruimte voor zal zijn omdat alle moslims zullen zijn weggepest, wat weer uitstekend nieuws is voor alle geiten in Nederland.

Wanneer alles voor de wind gaat, slaat onvermijdelijk de verveling toe en begint het gezever over relatieve futiliteiten, waar mensen ongemeen zuur van kunnen worden. Als er niks wezenlijks meer verbeterd kan worden, liggen verzadiging en chagrijn op de loer. Af en toe moeten er daarom gewoon een paar randdebielen aan de macht komen die écht zorgwekkende dingen voorstellen; alleen dan kan een voedingsbodem voor hoop en optimisme ontstaan. Je moet er soms een flink beroep op je fantasie voor doen, maar dat die in ons verwende land weer eens geprikkeld wordt, kan allang geen kwaad. Geef het kabinet-Rutte een paar jaar en we zitten met de kerst met het hele gezin te mens-erger-je-nieten in de kou, en niemand kan naar huis – maar dat geeft niks, want het is eindelijk weer een gelukzalige kerst.

Er komen hoopvolle jaren aan.

Erfgoed

Zelden heeft de mensheid treffender geïllustreerd dat zij het niveau van volstrekte willekeur nauwelijks weet te ontstijgen dan deze week, toen bekend werd dat het zebrapad van Abbey Road uitverkoren is voor de Werelderfgoedlijst. Dat de eer te beurt valt aan The Beatles als er dan toch iets uit de geschiedenis van de popmuziek op die UNESCO-lijst terecht moet komen, daar kan iedereen nog wel mee leven. Maar we weten ook allemaal dat Abbey Road lang niet het beste album van The Beatles is. Dat het zebrapad gekozen is, komt dan ook doordat er op de hoes van Sgt. Pepper’s niets tastbaars te vinden was, en men op de cover van het White Album ook al weinig aanknopingspunten aantrof.

De vraag is wat nu eigenlijk het te beschermen erfgoed is: de idee ‘zebrapad’ in platonische zin, het fysieke zebrapad op Abbey Road of de afbeelding daarvan op de hoes van de Beatles-plaat. Dat lijkt triviaal (antwoord b), maar dat zebrapad bestaat al tijden niet meer: het is verplaatst en vervolgens al herhaaldelijk overgeschilderd. Het beroemde zebrapad van Abbey Road bestaat alleen nog als platonische idee, en fysiek hooguit als afbeelding. Bovendien is het huidige pad verkeersveiligheidstechnisch (in functie dus) niet meer los te zien van de zigzagstrepen (pas op: domme niet oplettende toeristen die allemaal denken dat het verkeer van de andere kant komt) die er in 1969 nog helemaal niet waren.

Maar goed, UNESCO heeft er bewust voor gekozen de verkeersveiligheid in dit stukje Londen in het geheel op te offeren voor het behoud van een belangwekkend stukje zebrapad: het zebrapad der zebrapaden – correctie: het replicazebrapad der replicazebrapaden. Alles wat de gemeente in het vervolg wil voorstellen om de burgers en toeristen nog enigszins in bescherming te nemen – verkeerslichten, eenrichtingsverkeer, het overschilderen van het pad – zal vanaf nu afgestemd moeten worden op de behoudzucht van de bewaarextremisten van UNESCO. Je vraagt je af of dat eigenlijk wel mag, een stuk erfgoed zomaar pontificaal op een drukke weg neerplempen – maar ze doen het gewoon; zie ook de grachtengordel van Amsterdam en de historische binnenstad van Brugge.

Ter verdediging van UNESCO kan aangevoerd worden dat het zich voor een duivels probleem geplaatst zag: werkelijk alles op de hoes van Abbey Road is gevaarlijk zodra het heilig wordt verklaard. Was de sigaret in de hand van (niet-roker) Paul McCartney in bescherming genomen, dan waren de rapen helemaal gaar geweest. Of de witte kever die op de achtergrond geparkeerd staat: ook al zo’n gevaar op de weg. Het eenvoudigst (en terechtst) was nog geweest om gewoon de muziek van Abbey Road een beschermde status te geven (er is uiteindelijk ook nog een lijst met immaterieel erfgoed), maar dat was dan weer een verkapte oproep tot piraterij geweest.

Hoe dan ook waren het allemaal legitieme alternatieven voor het zebrapad, dat dus volstrekt willekeurig is gekozen. Als het aan mij had gelegen, dan had ik Paul McCartney zelve op de Werelderfgoedlijst geplaatst. Dan had hij namelijk niet dood mogen gaan – een fraai plagerijtje van eigen deeg dat hem wel zou leren ons via allerlei slinkse aanwijzingen te doen geloven dat hij dat allang is.

Enfin, nog een geluk dat de Stones van die klotemuziek maakten; anders was nu de menselijke tong op de erfgoedlijst terechtgekomen, met alle beperkingen in het dagelijkse gebruik van dien.