Konijnen

Erg bijbelvast ben ik niet, maar van de eerste verzen van het eerste boek Genesis meen ik mij toch te herinneren dat de eerste woorden die onze lieve heer tot de eerste mensen sprak, neerkwamen op een niet mis te verstane opdracht om heen te gaan en zich te vermenigvuldigen. Niets ‘Ga rustig zitten, neem een kop koffie’, maar ‘Weest vruchtbaar en wordt talrijk’. Wie schetst dan ook mijn verbazing toen ik deze week de paus hoorde verkondigen dat katholieken zich niet als konijnen hoeven voort te planten. Quod erat demonstrandum: het kán dus wel, een gezaghebbende geestelijk leider die luid en duidelijk verkondigt dat je alle onzin in een heilig boek niet zo serieus moet nemen.

paus

Aangezien de kerk nog altijd stelselmatig alle vormen van anticonceptie afwijst, is Franciscus’ toch al opmerkelijke uitspraak niet anders te lezen dan als een verzoek of er godverdomme eindelijk eens wat minder geneukt kan worden. Het scheelde weinig of hij liet het vergezeld gaan van een kledingadvies aan de vrouwen, om de welig tierende masculiene lustgevoelens nog enigszins in toom te houden.

Konijnenfokkers – vooral die van de cuniculus frigidus – natuurlijk in rep en roer vanwege deze smadelijke degradatie van hun eerbare diertjes tot monomaan-nymfomane monsters. Maar ook de mensheid mag zich achter de oren krabben, want los van de nogal hinderlijke papale inmenging in het privé-domein dringt de vraag zich op welk probleem de paus hier eigenlijk tracht te adresseren. Zijn er soms te veel katholieken? Daar zou ik een eind in mee kunnen gaan, maar zolang de ene na de andere kerk wegens leegstand wordt omgebouwd tot luxe appartementencomplex of hippe koffiebar zal dat toch niet zijn waar de paus op doelde.

Uiteindelijk bleek dat de paus een vrouw had gesproken die na zeven keizersnedes voor de achtste keer zwanger was. Niet direct de persoon die ik naar voren zou schuiven als representant van mijn geloof, maar voor Franciscus ging het om iets anders: hij wilde duidelijk maken dat “geen enkel instituut van bovenaf moet bepalen welke omvang een gezin zou moeten hebben”.

Dus de hoogste leider van de katholieke kerk, een instituut met ruim een miljard volgelingen, zegt dat je je niet per se hoeft voort te planten om duidelijk te maken… dat geen enkel instituut van bovenaf moet bepalen welke omvang een gezin zou moeten hebben.

Gelukkig hoeft de kerk dat ook helemaal niet te doen. Het recept is namelijk allang bekend, en heet vooruitgang. Het is algemeen bekend: hoe ontwikkelder het land, hoe lager het geboortecijfer. Dat hangt samen met de positie van de vrouw, die in ontwikkelde landen het best is, niet in de laatste plaats omdat men daar massaal het geloof de rug toekeert. Het mag hier dan één groot goddeloos Sodom en Gomorra zijn, met talloze onzedige lieden die in alle vrijheid hun schoonheid etaleren en daarmee de hoofden van menigeen op hol brengen, maar we kijken wel link uit voordat we ons voortplanten, want dat is niet altijd handig voor de carrière.

Kortom, dat de paus de voortplanting van katholieken ontmoedigt is mooi meegenomen, maar echt nodig was het niet. Zorgwekkender zijn zijn uitspraken over wat hij de ‘ideologische kolonisatie van het gezin’ noemt, daarmee doelend op opvattingen over onder andere homorechten die het Westen zou opleggen aan ontwikkelingslanden. De paus trekt hier wel een hele grote jurk aan – niet alleen is de uitspraak nogal stuitend uit de mond van de leider van een godsdienst die, als alle godsdiensten, behoorlijk wat voorschrijft aan zijn aanhangers; hij claimt hier ook het monopolie op de enig juiste opvatting, die hij dus wenst op te leggen aan iedereen.

De enig juiste opvatting is de ene die niets oplegt, zodat wij zelf onze eigen achterlijke of briljante waarheid kunnen fabriceren – of besluiten mee te gaan in die van de paus. De ideologie van vrijheid (van meningsuiting, godsdienst, geaardheid of whatever) kent geen strijd vóór die vrijheden, als wel een strijd tegen alles wat die belemmert. De kolonisatie van deze ideologie kan moeilijk veroordeeld worden, omdat deze intrinsiek in ons allen aanwezig is, van Saudi-Arabië tot Noord-Korea. Uiteindelijk willen wij allemaal konijnen zijn, al dan niet met dezelfde onbezorgde dagbesteding.

Konijnen

Vrijheid van inzeping

In Pakistan, Niger, Sudan, Algerije, Somalië, Tsjetsjenië en nog zo wat oorden zijn opnieuw te verwaarlozen groepen mensen de straat op gegaan uit protest tegen badartikelenproducent Ombia en vóór degenen die vorige week een aanslag op de zeepfabrikant pleegden. Volgens de betogers hebben die een noodzakelijke boodschap aan het Westen afgegeven. Behalve kerken, hotels, cafés, weeshuizen en scholen werden Duitse vlaggen en foto’s van bondskanselier Merkel in brand gestoken.

De aanslag op Ombia, dat honderden berichten van boze moslims ontving vanwege een werkelijk onsmakelijke en uiterst grievende afbeelding van een moskee op een zeepflesje, werd eerder deze week in een videoboodschap opgeëist door Al Qa’ida op het Arabisch Schiereiland. Eerder al liet een van de briefschrijvers weten dat zijn postzegels gefinancierd waren vanuit Jemen. Experts twijfelen echter aan de authenticiteit van de video’s en vermoeden eerder een actie van de CIA om moslims in een kwaad daglicht te stellen.

Intussen is ook in Nederland de discussie weer in alle hevigheid opgelaaid. Critici, die op Twitter masaal de hashtag #ikwasmijnhelelichaaminonschuld gebruiken, wijzen op het gevaar van het overgeleverd zijn aan de grillen van gekwetsten, die, afhankelijk van hoe hun keppeltje of tulband staat, met de hand op het ene of andere heilige boek altijd wel ergens aanstoot aan kunnen nemen. Praktisch onuitvoerbaar en principieel onjuist, noemen zij de regelmatig uitgesproken verwachting om telkenmale te anticiperen op het mogelijk krenken van anderen.

De tegenstanders in het debat vinden het juist tijd om respect voor elkaar op te brengen. Een politicus die liever anoniem wil blijven, zegt: ‘Laten we niet vergeten dat het feit dat dit flesje niet meer in de schappen ligt, het werk van extremisten is, en niet van de massa. Ik praat dit niet goed, maar het lijkt wel alsof je tegenwoordig zomaar ongebreideld moet kunnen kwetsen op je verpakking. Denk na voor je iets in de handel brengt! Een moskee op een verpakking, waar haal je de brutaliteit vandaan? Straks komt nog iemand op het idee om een schaars geklede mevrouw op een doucheproduct te zetten. Terwijl je wéét dat je daarmee mensen tegen de borst stuit.’

Radio-dj en opiniemaker Giel Beelen is vooral verbaasd over alle ophef die is ontstaan. ‘Ik begrijp die hele Ich bin Unrein-hype niet zo. Die mensen hadden nog nooit van Ombia gehoord, en nu staan ze allemaal met zo’n bord te zwaaien en moeten ze zich zo nodig met dat spul wassen.’ Hoofdredacteur van Vrij Nederland Frits van Exter sluit zich daarbij aan: ‘Laten we nu niet doen alsof dit zeepje van een, laten we zeggen, Palmolive-achtig niveau was.’

Dat moge zo zijn, van Ombia’s nieuwe shampoolijn met bierextract, die maandag in een oplage van vijf miljoen stuks op de markt kwam, was in heel Duitsland na een kwartier geen exemplaar meer te krijgen.

Vrijheid van inzeping

Omdat het kennelijk relevant is

Nou, daar gaan we dan:

1. de christenen
Och ja, de christenen. Domineren al ruim negenhonderd jaar het nieuws met hun Kruistochten, immer actueel. Iedere dag maar weer dat Journaal dat opent met de een of andere barbaarse slachting die uit naam van dat geloof is uitgevoerd. Mijn naïeve vrienden beweren dat de overgrote meerderheid van de christenen goedwillende burgers zijn, maar ik weet wel beter. Naar verluidt zijn in de gemeente Staphorst en in delen van Zeeland cellen actief die zwaar oorlogsgeschut in hun kelders hebben liggen. Ze zouden het Nationaal Monument op de Dam omver willen duwen. Wie het onderdrukken en publiekelijk executeren van vrouwen erg vindt, moet hier maar eens kijken. Bij één partij met maar liefst 30.000 leden mogen de vrouwen zich zelfs niet verkiesbaar stellen! Om van de kledingvoorschriften nog maar te zwijgen. Van de aanhangers van dit geloof gaat waarlijk een grote bedreiging voor de wereldvrede uit, en ik wil dan ook geen moment onbenut laten om me er luid en duidelijk van te distantiëren. Hierbij!
Overigens ben ik zelf geen christen.

2. Hitler
Mijn vader droeg lange tijd een snor en mijn vriendin is vegetariër, dus logisch dat je mij vraagt om een stellingname ten aanzien van deze fameuze oosterbuur. Te meer omdat hij in onze samenleving zo onvoorstelbaar, hoe zal ik het zeggen, salonfähig is. Als onze kinderen de middelbare school verlaten, weten zij van de jaren dertig en veertig toch voornamelijk dat de treinen in Duitsland en Italië op tijd reden. Er is eigenlijk helemaal niemand in onze maatschappij die vraagtekens plaatst bij de daden van Hitler, terwijl er, dat moet ik je nageven, toch het nodige op hem aan te merken viel. Laat ik daarom een verrassend standpunt innemen: ik verafschuw Hitler! Het uitroeien van een volk puur vanwege een geloof of opvatting is onverkwikkelijk! Zo!
Overigens ben ik zelf geen nationaal-socialist. Geen Duitser ook trouwens.

3. Anders Breivik
Schoot op een zomermiddag tientallen jongeren dood, en liet in het manifest dat hij achterliet wel drie keer de naam van Geert Wilders vallen. Alle aanleiding natuurlijk voor mij, die – foei! – ook wel eens kritisch is over een geloof, en die ook nog eens een vader heeft die kapper was en daarom wel eens met waterstofperoxide werkte, om ferm afstand te nemen van deze daad. Vooral omdat er hordes volgelingen klaar bleken te staan die sinds 2011 dood en verderf zaaien uit naam van de beweging waarvan de naam mij even is ontschoten, maar waar ik overigens niet toe behoor. Ik begrijp de verwarring, maar voor de duidelijkheid: #ikbennietanders.
Overigens ben ik ook geen aanhanger van Wilders.

4. Tristan van der V.
Kouachi avant la lettre. Schoot de goede reputatie van de blanke man met twee benen, twee armen, twee ogen, twee oren en een neus aan flarden. Ja, ik heb ook een bonuskaart, maar dit ging echt veel te ver. Overigens heb ik voor zover bekend zelf geen psychische problemen.

5. Charlie Hebdo
Voor hen hoef ik mij niet te verantwoorden. Zij hebben niets verkeerds gedaan.
Overigens heb ik, net als jij, het blaadje nog nooit gelezen.

6. de PvdA
Het moge bekend zijn dat alles altijd de schuld van de PvdA is, zo ook de mondiale crisis waar wij ons nu in bevinden. Ik heb hier geen goed verhaal bij; het is verschrikkelijk wat er gebeurt uit naam van de partij waartoe ik behoor. Ik zou kunnen verwijzen naar een paar burgemeesters die het goede voorbeeld geven. Of naar een paar ingezonden brieven in de krant. Of naar de hashtag #nietmijnpvda, overigens voornamelijk gebruikt door politiek correcte PvdA-critici die dit initiatief toejuichen. Gelukkig, er wordt op redelijk grote schaal afstand genomen.
Maar er zijn er ook – en ik vrees dat hun aantal groter is dan mij lief is – die ik in de nasleep van de gebeurtenissen alweer heb horen zeggen dat je toch vooral rekening met elkaar moet houden, daarmee de kiem zaaiend voor begrip voor wat de tekenaars is overkomen. Die ‘pal staan voor de vrijheid van meningsuiting’, en dat doodleuk laten volgen door het woordje ‘maar’. De naam van de partij wordt hierdoor bezoedeld, en mijn geloof erin sterk op de proef gesteld. Ik snap de (soms zelfs gezaghebbende) klootzakken die dat doen niet, maar ik kan niet ontkennen dat ze tot dezelfde club behoren waar ik ook deel van uitmaak. Dus ja, vanzelfsprekend heb ik er behoefte aan om mijn positie te bepalen – niet omdat het van jou moet, maar vanuit een intrinsieke behoefte. Welnu, ik twijfel er serieus aan of ik nog wel bij deze club wil horen. Eén ding weet ik wel: dit is niet mijn PvdA.

Zo. Als er nou nog eens iets gebeurt uit naam van een groepering waar ik niet toe behoor, roep me dan gerust weer ter verantwoording. Nu jij?

Omdat het kennelijk relevant is

Catharsis 15:1

1 En Barack, de zoon van George, die de zoon was van Bill, die de zoon was van George, die een verre nazaat was van Johannes F., die een afstammeling was van Theodorus, Hij belaadde zijn kameel met zijn machtige zwaard en wapentuig en trok de woestenij in. Zijn gevolg bestond uit Fransoos van Nederland, die de zoon was van Nikolaas, die de zoon was van Jacobus; uit Angela, die de dochter was van Gerardus, die de zoon was van Helmut, die de zoon was van Helmut, die een verre nakomeling van de kwade Adolfus was; en uit David, de zoon van Gordon, die de zoon was Antonius, die een slechte jeugd had omdat hij opgroeide bij zijn oma Margareta.

2 Op gepaste afstand van de karavaan volgde Marcus, die de zoon was van Johannes Petrus, die de zoon was van Willem. Franciscus, de broer van Marcus, was er bij een bijeenkomst in Babel niet in geslaagd om Marcus bij de karavaan van Barack aan te laten sluiten. Er was simpelweg geen ruimte, verklaarde Franciscus in alle talen van zijn toehoorders.

3 En zo trok de karavaan van Barack, die de zoon was van George, die de zoon was van Bill, door de woestenij. En Angela sprak: “Verdomd nogmaals, wat is het hier ja godvergeten heet! Ik zou moorden voor een pot bier!” Waarop Marcus, die de taal van Angela goed verstond, vanuit de verte riep: “Buurvrouw, de tijd van bier heb ik achter mij gelaten, maar hier, drink uit mijn waterpistool”. En aldus geschiedde. En allen laafden zich aan het wapentuig van Marcus.

4 En Barack zeide: “U hebt zich een trouwe vriend betoond, Marcus. Kom, sluit aan bij mijn karavaan.” En Marcus vertelde zijn volk dat hij was aangesloten bij de karavaan van Barack.

5 Op de vijftiende dag van de eerste maand van het zestiende jaar van de eenentwintigste eeuw bereikten Barack en zijn gevolg het doel van hun reis: het paradijselijke kalifaat van Al-Baghdati. En Barack sprak tot Al-Baghdati: “Al-Baghdati, ik zie dat wij u treffen op een ongelegen moment. Het was niet onze bedoeling u te storen tijdens het bezitten van uw geit, en al helemaal niet om de geringe omvang van uw geslacht te ontwaren. Maar wij zijn hier voor een belangrijke zaak. U weet dat de mensheid voor grote conflicten staat die ons boven het hoofd groeien. U veracht ons; wij verachten u.”

6 En Barack vervolgde: “Wij zijn hier met een voorstel. U weet dat ik met één enkele slag van mijn machtige zwaard, dat ik geërfd heb van mijn voorvaders, gans uw volk kan extermineren, zo God het wil of niet. Ik geef u de kans om dit onheil af te wenden. Laat ons allen inzien dat wij, nietige aardbewoners, deze geschillen niet zelf kunnen oplossen, en laat ons daarom de hulp van het Opperwezen inroepen – zij het het uwe, dan wel het mijne, of dat van de joden dan wel dat van welk ander volk dan ook. Voorwaar zal Hij zich toch wel als barmhartige rechter over Zijn onderdanen ontfermen wanneer die daarom smeken? En dan, wanneer wij Hem in Zijn ware gedaante aanschouwd hebben, dan zullen wij ons onderwerpen aan Zijn regels.”

7 En Al-Baghdati antwoordde: “Natuurlijk zal Hij verschijnen, want Allah is geit! Ik bedoel: Allah is groot en overal.” En Barack, de zoon van George, die de zoon was van Bill, die de zoon was van George, vroeg: “Is Hij een druk bezet man, of zal Hij binnenkort een vrij moment hebben om helderheid te verschaffen?” Waarop Al-Baghdati getergd reageerde: “Spot niet met de Almachtige! Want Hij is groot en Hij zal u reeds morgen bezoeken om u te straffen voor uw onwetendheid!” En Barack vroeg: “Kunnen wij dan afspreken dat wanneer uw God zich niet binnen twee jaar openbaart, we ervan uit kunnen gaan dat Hij niet bestaat?”. En Al-Baghdati antwoordde: “U bent een overmoedig mens. U zult het bestaan van de Almachtige sneller ondervinden dan u lief is.” Waarop Barack de afspraak bezegelde met de woorden: “Akkoord, laat ons dan de wapens neerleggen en de komst van het opperwezen afwachten. Over twee jaar zal mijn dochter u aan uw beloften herinneren.”

8 Een dag later openbaarde het opperwezen zich niet, en evenmin deed het dat op alle volgende dagen. Twee jaren later, op de vijftiende dag van de eerste maand van het achttiende jaar van de eenentwintigste eeuw trok Hilaria, de dochter van Barack, die de zoon was van George, die de zoon was van Bill, die de zoon was van George, met haar gevolg, zij het zonder Marcus, naar het kalifaat. En zij sprak: “Waar is Al-Baghdati?” Waarop de aanwezigen antwoordden: “Wij hebben de afvallige Al-Baghdati daags na zijn misdadige afspraak met de zondaars afgeslacht zoals ons heilige boek ons voorschrijft. Onze kinderen hebben voetbal gespeeld met zijn hoofd. Het werd 12-0 voor de winnaars.” En Hilaria sprak: “Maar u moet erkennen dat Allah zich niet geopenbaard heeft, noch aan u, noch aan ons.” En zij antwoordden: “Dat moeten wij.”

9 En Hilaria ging verder: “Ook onze God heeft zich niet aan ons getoond, noch aan u. Wij hebben ons laten leiden door blindheid. Reeds zestig jaren geleden onderzochten wij de hemel, en het binnenste der aarde kende al langere tijd geen geheimen meer voor ons. De eerlijkheid gebiedt ons toe te geven dat wij nimmer aanwijzingen voor het bestaan van een godheid hebben kunnen ontwaren. Laat ons dan vanaf nu de zaken omdraaien en ervan uitgaan dat God niet bestaat, tenzij hij zich alsnog openbaart. Laten wij onszelf verlossen: drink van mijn wijn, proef van mijn varkensvlees en heb mij lief als gelijke zolang uw God zich niet vertoont.”

10 Een dag later openbaarde het opperwezen zich niet, en evenmin deed het dat op alle volgende dagen. Allen dronken, lachten, dreven de spot met elkaar en bedreven de liefde met elkaar. Waarlijk waren zij verlost, voor eeuwig. En iedereen zag dat het goed was.

Catharsis 15:1

Je suis zéro

Van apologetische moslimknuffelaar tot rabiate islamcriticus: sinds woensdag zijn we allemaal Charlie. Dat zal die terroristen leren, moeten Petra uit Bunnik en Gerard uit Landsmeer gedacht hebben toen ze hun profielfoto op Facebook veranderden in een afbeelding van de slogan die inmiddels ruim 3 miljoen keer gebruikt is op Twitter. Moslims mogen dan een beperkt aantal voornamen hebben waar ze uit kunnen kiezen; dat kunnen wij nog veel beter!

Ze hebben het eerder gedaan, Petra en Gerard: een groen filter over hun avatar uit solidariteit voor de opstand in Iran (huh, opstand in Iran? Anyone?), een kruis tegen de bezuinigingen op cultuur, en deze zomer nog een zwart vlak nadat de MH17 uit de lucht was geschoten. Die laatste was lekker makkelijk, die kon je gewoon in Paint maken. En nu is het helemaal mooi: sinds de nieuwe privacyregels van Facebook van kracht zijn, maak je nog kans op een cameo met je avatargument in een willekeurige commercial waar ook ter wereld.

Maar over een week of twee zal Petra haar statement weer verruilen voor een kiekje met haar tweejarige dochter, en zien we Gerard weer vertrouwd met een biertje op de tribune bij Ajax. Wat zal er door hen heen gaan als ze hun JE SUIS CHARLIE opdoeken? Toch een ongemakkelijk moment, me dunkt. Want wanneer ben je weer gewoon Petra of Gerard, en niet langer Charlie?

Natuurlijk, ik ben blij, dankbaar en misschien zelfs trots dat ik leef in een samenleving (of beschaving) die in staat is om zo eensgezind en in relatieve kalmte te reageren. Mensen die dat kracht willen bijzetten door hun avatar te veranderen moeten dat vooral doen. Solidair zijn, dat mogen we – dat moeten we. Massale betogingen: prima, prachtig. Maar ik, een eenvoudige brave, bange, belasting betalende burger, ik voel me geen Charlie. Ik heb niets te verdedigen, en ik heb niets te rechtvaardigen. Je suis zéro.

Want: tegen wie hebben we het, als we met zijn allen op een plein bijeenkomen om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen? Wie ben ik aan het overtuigen? En waarvan precies? Van iets waaraan getwijfeld wordt? Wat ter discussie staat? Wat gevaar loopt? Geen van dat al.

Is er ook maar enige aanleiding om te denken dat deze aanslag de vrijheid van meningsuiting aantast? Integendeel, die wordt er alleen maar door versterkt. Dat moge al blijken uit het feit dat Petra, die destijds de cartoons in Jyllands-Posten wel erg onnodig kwetsend vond – die Kurt Westergaard had het toch ook een beetje over zichzelf afgeroepen – nu op het marktplein van Bunnik met een bord met #JeSuisCharlie staat te zwaaien. Kranten hebben (grotendeels) de censuur afgeworpen en nieuwe grenzen zullen worden opgezocht. Een steuntje in de rug uit onverwachte hoek, zegt de optimist in mij.

Twijfelt er dan iemand aan of ik de vrijheid van meningsuiting, inclusief het recht op kwetsen, het grootste goed vind? Welnee, dat is in mijn heilige boek, de grondwet, verankerd. Moet ik dat dus nu rechtvaardigen? Welnu, ik kan wel een groep bedenken die zich ergens voor zou kunnen rechtvaardigen. Voor wie het omarmen van de vrije meningsuiting niet hemeltergend stating the obvious is, namelijk die overgrote meerderheid van goedwillenden waarvan je altijd maar moet aannemen dat die er is.

Hoe mooi zou het zijn: iedereen blijft thuis behalve zij, de Dam is exclusief voor hen gereserveerd. Nous sommes Charlie, allemaal; dát zou tenminste een statement zijn. Wat we vanavond zagen in alle grote steden was allemaal mooi en prachtig, maar het was ook obligaat en leeg. Dit zou verschil maken, dit zou indruk maken, dit zou de mensheid verder helpen. De goede intenties lijken er te zijn, nu nog even dat bord voor de kop verwijderen (of liever: oefen wat zelfspot in een cartoon). Want dan lees ik bijvoorbeeld: “Velen nemen afstand van jihadisten en radicalisering in persoonlijke gesprekken, op het werk, in de huiskamer. Maar als je dat publiekelijk doet, lijkt het net of je jezelf moet vrijpleiten.”

Ja jongens, dat lijkt niet alleen zo, dat is zo. Als je het echt een probleem vindt dat exclusief uit naam van jouw religie deze barbaarse daden worden verricht, dan dien je jezelf vrij te pleiten. Als je dat vervelender vindt dan de moeite die het kost om aan alle misverstanden een einde te maken, dan vind je het probleem kennelijk niet groot genoeg. Zie het als de pech dat nu net jouw religie dergelijke uitwassen kent. En accepteer dat ik dat heel anders zie.

Maar doe het. Massaal. In godsnaam (om je goede wil te tonen).

Je suis zéro

Piet

Zoals we onze kinderen nu leren dat nog maar een halve eeuw geleden rassenscheiding in de Amerikaanse wet verankerd was, of vertellen dat je aan het begin van de 21e eeuw nog in cafés mocht roken (of: überhaupt mocht roken), zo zal men in 2035 kunnen zeggen dat nog maar twintig jaar geleden Sinterklaas vergezeld ging van zwartgeschminkte mannen met oorbellen en dikke roodgestifte lippen, die als dommig acterende hulpjes dienden. Like it or not, het is een onomkeerbaar proces: de positie van Guus Hiddink bij Oranje is ongeveer net zo houdbaar als die van Zwarte Piet in het Sinterklaasfeest. Beiden zullen binnen afzienbare tijd het veld ruimen – met een flink gevulde zak met pepernoten, dat natuurlijk wel. Het achterhoedegevecht van degenen die de politiek correcten met hypercorrectheid willen overtreffen, hoort daarbij; ook dat is traditie.

Ik ben zelf nooit zo’n enorme aanhanger van het Sinterklaasfeest geweest. Noem het maar onschuldig, zeven jaar je kind voorliegen, en noem het maar onschuldig, het stimuleren van geloof in iets wat niet bestaat, het belonen van deze huichelarij met cadeaus en het voeden van angst voor reprimandes bij ongehoorzaamheid. Een volwassene die in een god gelooft doet in feite niet anders, en ik heb dan ook van mijn levensdagen niet begrepen hoe iemand die het Sinterklaasfeest een warm hart toedraagt, tegelijk zijn geloof in een god kan volhouden. Altijd maar een nieuwe leugen erbij verzinnen om de ongerijmdheden in je verhaal weg te poetsen: hoe groot is dan nog de stap om te ontdekken dat het misschien allemaal onzin is?

Intussen zitten we mooi met die Klaas opgescheept. In tegenstelling tot God, die zich nimmer manifesteert en wiens gezicht we dus ieder voor zich naar eigen believen kunnen inkleuren, meert die kinderminnende slavendrijver hier doodleuk elk jaar in november aan met zijn vluchtelingenboot. Het behoeft geen betoog in welke donkere krochten van de geschiedenis zijn knechten hun oorsprong vinden; daar staat tegenover dat evenmin ter discussie staat dat de pietermannen het ‘toch’ goed menen.

Zwarte Piet is anno 2014 zo’n anachronisme dat je je kunt afvragen waarom we deze discussie nu pas voeren, en bijvoorbeeld niet in juli 1863, toen Nederland de slavernij afschafte. Vier maanden later zette de goedheiligman met zijn roedel knechten voet aan wal in Harlingen of Domburg, en geen haan die ernaar kraaide. Waarom niet? Vermoedelijk om de doodeenvoudige reden dat men heel goed kon volhouden dat de pieten schoorsteenroet op hun gezicht hadden. Sterker nog: je moest destijds waarschijnlijk daadwerkelijk door een schoorsteen getrokken worden als je Zwarte Piet wilde spelen – schmink had je niet. Schoorsteenvegers herkende je in die jaren aan hun afwijkende kleding en haardracht.

Laten we wel wezen: het zijn niet de beledigde bevolkingsgroepen, maar het is de uitvinding van de centrale verwarming die roet in Piets dienstverband bij Sinterklaas heeft gegooid. We hebben gewoon geen verhaal meer dat rijmt met zijn uiterlijk. Ook dat is ergens vooruitgang, want hoe onmetelijk veel racistischer is de uitleg dat Zwarte Piet roet op zijn wangen heeft dan gewoon zeggen dat hij zwart is? Kennelijk moet er een excuus bedacht worden voor zoiets verschrikkelijks als zwart zijn. “Toe maar, rustig maar, kind, het is niet echt een neger… dacht je dat Sinterklaas zo iemand zou aannemen? Nee, het is heus een blanke, alleen heeft hij wat roetvegen op zijn wangen.”

Zwarte Piet mag dus geen slaaf zijn, en roet van de non-existente schoorsteen kan hij niet op zijn gezicht hebben. Het is dus niet zo moeilijk om te bedenken dat de Piet van de toekomst gewoon een man (blank, zwart, mediterraan, Noord-Afrikaans, whatever) zonder schmink moet zijn. Angst voor herkenning? Welnee, dat is nou de gave van een Sinterklaaspiet: er precies zo uitzien en klinken als die ene oom, die dan toevallig ook altijd net niet aanwezig is om zijn dubbelganger te aanschouwen. Maar hoe komt men erbij om ze een ander, onmenselijk kleurtje te geven? Wat is daar dan het verhaal bij?

“Dit is Paarse Piet, hij was acht jaar minister onder Wim Kok en heeft nu een te hoge bloeddruk.” “Kijk, daar heb je Rode Piet, een ouderwetse linkse rakker met ideologische veren op zijn baret – die zie je niet veel meer!” “En hier is Stroopwafelpiet. Zijn gezicht lijkt op een stroopwafel, maar in werkelijkheid heeft hij huidkanker omdat hij het hele godganse jaar met zijn luie reet op het Spaanse strand ligt.”

Nee, die regenboogpieten gaan de oplossing niet brengen. Als je geen verhaal hoeft te hebben waarom ze paars zijn (dat is er namelijk niet), dan hoef je ook geen verhaal te hebben waarom ze zwart zijn. Gewoon, omdat de zwarte schmink in de uitverkoop was – die kinderen slikken alles voor een paar loombandjes.

De beste oplossing is misschien nog als Frans “Wist u dat er op de boot een Groengrijze Piet met een bierflesje in zijn hand is aangetroffen die in zijn eigen braaksel lag te rollen?” Timmermans er even voor zorgt dat een en ander Europees wordt vastgelegd – dan weet tenminste iedereen dat protesteren zinloos is.

Of de intocht verplaatsen naar Lampedusa, ook lachen.

Piet

Het IS-debat

Desperate times call for desperate measures. Daarom ga ik iets heel raars doen, en mijn ogenschijnlijk diepgewortelde en in ieder geval zorgvuldig gecultiveerde haat jegens voetbalclub F. ontzenuwen.

Het is gelukkig alweer ruim vijftien jaar geleden dat de Club van Zuid, toen nog de Club met de Kale Voorzitter, landskampioen van Nederland werd. Vermoedelijk heeft politieke infiltratie in het aankoopbeleid ervoor gezorgd dat deze ellende ons sindsdien bespaard is gebleven, en ook in het huidige seizoen lijkt deze succesvolle aanpak zijn vruchten weer af te werpen. ‘Dit nooit meer’, moet men in 1999 in Den Haag gedacht hebben, nadat het slagveld genaamd ‘huldiging’, dat zes jaar eerder al eens CNN had gehaald, de Rotterdamse binnenstad opnieuw had omgetoverd in een decor dat sterk deed terugdenken aan de Duitse bombardementen van 1940.

(Het leek mij verstandig de Godwin alvast in dit gedeelte van mijn betoog te plegen.)

De jarenlange misdragingen van de supporters hebben mijn aangeboren Feyenoord-aversie bepaald niet verminderd. ‘Hoe kun je in vredesnaam voor een club zijn met zulke aanhangers?’, zo redeneerde ik niet geheel zuiver maar ook niet geheel onredelijk.

Zaten er bij andere clubs dan geen randdebielen op de tribune? Natuurlijk wel, maar die van Feyenoord waren het ergst, het grootst in aantal en het kundigst in sloperijen.
Vond ik dan alle Feyenoord-supporters randdebielen? Nee, natuurlijk niet. Sommigen, als je goed zocht, wekten in een onbewaakt ogenblik zelfs de indruk een IQ tot wel 85 te kunnen halen.

Waar ik me dan aan stoorde? Aan het feit dat er geen enkel weerwoord werd geboden aan die bezoedeling van de clubnaam. ‘Ja, het is maar een klein deel dat het altijd verpest voor de rest’, hoorde je dan. Hoe groot dat kleine deel dan was, wist overigens niemand te zeggen, en van de overgrote meerderheid van de rest leek niemand zich geroepen te voelen in opstand te komen of hun club voor een aangenamere in te ruilen. Nog veel erger: degenen van wie je het mocht verwachten, gaven niet thuis. Waarom liep het team niet gewoon een keer demonstratief van het veld? Waarom sprak de aanvoerder zich in de plichtmatige interviewtjes voor Studio Sport niet een keer keihard uit tegen het rapaille? Waarom smeekte het bestuur niet om een paar strafpunten bij de KNVB? Waarom werd niet gewoon uitgelegd dat er geen geld was voor goede spelers omdat de club zich al scheel betaalde aan schadevergoedingen? Ja, waarom werd daarentegen het legioen zelfs bejubeld als er bij een wedstrijd een keer niets gesloopt was?

Nou, zou je als apologeet kunnen zeggen, omdat je je toch zeker niet hoeft te laten gijzelen door de misdragingen van enkele amoebes als je van duizenden anderen nooit last hebt? Dat is strikt genomen een correcte, maar helaas zeer naïeve gedachtegang. Of het nu 1, 10 of 50% van het supporterslegioen betrof, doet eigenlijk niet ter zake: het gaat er namelijk niet om dat alle Feyenoorders het gedrag vertoonden, maar dat allen die het gedrag vertoonden, Feyenoorders waren. Feyenoord was de gemene deler, het geweld werd gepleegd door mensen in hun hoedanigheid van Feyenoorder, en of Feyenoord dat nu leuk vond of niet, of het gedrag representatief was voor de rest van Feyenoord of niet, Feyenoord had daardoor een probleem.

De oplossing voor dat probleem was niet zeggen dat de raddraaiers eigenlijk geen Feyenoorders waren, want dat zouden ze ontkennen; sterker nog, ze zouden zeggen dat zij juist de enige echte Feyenoorders waren. De oplossing was ook niet wijzen naar de misdragingen van de Ajax-aanhang, want dat was niet alleen een grove drogreden; deze stonden ook in geen enkele verhouding tot de schaal waarop vernielingen en Feyenoord hand in hand (pun intended) gingen.

Nee, de oplossing moest vanuit de club zelf komen. Ik ben er stellig van overtuigd dat dit bij Feyenoord is gebeurd. Inmiddels kan ik het velen wanneer een speler het publiek oprecht bedankt (na een uit het vuur gesleept gelijkspel thuis tegen Cambuur bijvoorbeeld), en laat de club met acties tegen het gebruik van het woord ‘kanker’ in het stadion niet alleen zien dat zij kritisch tegenover de eigen aanhang staat, maar daar ook verantwoordelijkheid voor neemt. Zo hoort dat: als zichzelf respecterende gemeenschap kun je niet anders dan de donkere kanten onder ogen zien van degenen uit jouw naam zeggen te handelen, en je daar ondubbelzinnig van distantiëren. Het is bepaald niet gezegd dat je het wangedrag daarmee uitbant – er sneuvelt dan nog steeds wel eens een treinstel en vanavond was het ook weer onrustig op de tribune – maar kwaad kan het nooit, en je kunt niet duidelijk genoeg stelling nemen, al was het maar om misverstanden in de publieke opinie te voorkomen.

Ben je als vertegenwoordiger van een groep dan verplicht om openlijk afstand te nemen? Nee. Rechtvaardig je het foute gedrag als je het niet doet? Nee. Zou het terecht zijn als de leden van jouw groep worden aangesproken op het gedrag van de onruststokers? Nee. Maar zou een krachtig weerwoord helpen om te voorkomen dat dat gebeurt? Ja, zeker. Zou het dus handig of wenselijk zijn om je uit te spreken? Ja, zeker!

Is het dan misschien heel moeilijk om te doen? Nee, boven alles is het juist ongelooflijk makkelijk, zoals het voor onze minister-president heel makkelijk is om zijn afschuw uit te spreken over de Volkerts, de Breiviks, de Karsten en de Tristans – die nota bene niet eens handelen uit naam van zijn groepering of land. Maar hij doet het wel altijd. Doet hij het niet, dan wordt er druk uitgeoefend om het toch te doen, en blijft het dan nog stil, dan kunnen we de straat op om het te eisen. Allemaal hele gezonde mechanismes, die bij sommige groepen helaas niet werken.

Het enige wat ik me kan voorstellen – onze premier moet hooguit één keer per jaar zo’n obligaat praatje houden – is dat het wat vermoeiend wordt als je je tegen elk vernield treinstel, voor elke geworpen baksteen en voor elke kankeruitspraak moet uitspreken. Maar dat zegt dan stiekem misschien toch iets over de groep die je aanhangt.

Het IS-debat