Parkeerautomaat

In Haarlem zijn onlangs alle parkeerautomaten vervangen. Een van de grootste bronnen van inkomsten verzekerd voor de komende jaren: daar hoort natuurlijk een feestje bij, en daarom had de gemeente – geen grap – een heuse fanfare ingehuurd om de komst van de nieuwe automaten in te wijden. Hoe gepast! Volgend jaar komt Gaston van de Postcode Loterij hoogstpersoonlijk de ozb-beschikking langsbrengen.

De nieuwe parkeermeters zijn alle voorzien van een zonnepaneel. Een zonnepaneel op een automaat voor vieze stinkende auto’s die net een gat in de ozonlaag hebben gereden: dat is net zoiets als een glas water bij een biertje serveren of posters van Amnesty op de muren van Raqqa plakken – het lijkt te compenseren maar uiteindelijk gaan we gewoon toch naar de klote.

Ook voor mijn deur van mijn huis prijkt zo’n pontificale automaat, overigens op een plek waar ik zelf waarschijnlijk geen schone energie zou mogen opwekken ‘want beschermd stadsgezicht’. Ik vind het niet direct een mooi apparaat, maar ik ben uiteraard wel benieuwd naar de sensatie van het Nieuwe Parkeren en neem dus pal voor mijn voordeur plaats voor de automaat en druk op de groene knop om het proces te starten.

Ik word begroet met de zin ‘U wordt gevraagd uw kenteken in te voeren!’. Het enthousiasme dat vooral uit het uitroepteken spreekt, doet mij deugd. ‘Weest gerust burger,’ lees ik erin, ‘en verspilt niet uw geld door terstond munten in te werpen! Edoch, maant uzelf tot kalmte tot u wordt gevraagd uw kenteken in te voeren!’

Ik kijk schichtig om me heen: door mijn druk op de knop zal er toch hopelijk geen fanfare in gang gezet zijn richting Parklaan om mij zodirect te vragen mijn kenteken in te voeren? Nee, dat zou ik als bewoner toch wel eens gemerkt hebben.

In de verte komt een man mijn richting uit gelopen. Hij ziet eruit als een ambtenaar en zou dus wel eens de man kunnen zijn die mij gaat vragen mijn kenteken in te voeren. Als hij mij genaderd is, kijk ik hem verwachtingsvol aan, maar hij loopt door zonder mij een blik waardig te gunnen.

Ik vraag me intussen af hoe het kan dat ik tegelijk voor mijn voordeur én voor de parkeerautomaat kan staan, terwijl ik er in feite tussenin sta. Dit vraagstuk houdt me een minuut of tien bezig – ik kom er niet uit.

‘Doet-ie het weer eens niet?’, vraagt dan plotseling iemand aan me. Vermoedelijk een automobilist die ik niet aan heb zien komen.
‘Nou nee,’ antwoord ik, ‘je moet gevraagd worden naar je kenteken maar dat gebeurt maar niet.’
De man druipt onmiddellijk af. Hij heeft waarschijnlijk geen zin om te wachten, maar ik geef me niet zomaar gewonnen.

Toegegeven, mijn aanvankelijke enthousiasme heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een lichte irritatie. Voor die € 4,20 per uur mag je toch een betere service verwachten dan dit. Op zijn minst was het handig geweest als ze hadden vermeld DOOR WIE ik gevraagd ga worden mijn kenteken in te voeren, en WANNEER dan in vredesnaam.

De volgende passant vraag ik beleefd of ik hem mag vragen mij te vragen naar mijn kenteken. ‘Huh, wat, kenteken?’ reageert hij, en loopt in een wijde boog om mij heen. Ik kijk hoopvol op de automaat: was dit het dan misschien? Maar nee: ‘U wordt gevraagd uw kenteken in te voeren!’ – nog altijd met dat blije kut-uitroepteken.

We zijn inmiddels bijna een uur verder, en niemand die ook maar in de geringste mate geïnteresseerd is in mijn kenteken. De wanhoop nabij trek ik een meisje van haar fiets en smeek haar of ze mij godverdomme wil vragen of ik mijn kenteken bij haar mag invoeren.
Misschien verstond ze me verkeerd, maar ‘Laat me los, klootzak!’ is alles wat ze kwijt wil.

Hier schrik ik zelf ook wel een beetje van. Zou ik misschien net een hypo hebben gehad? Van al dat wachten heb ik in ieder geval flinke trek gekregen. Ik kán natuurlijk even naar binnen gaan om wat te eten, maar dan zul je net zien dat uitgerekend op dat moment de dienstdoende ambtenaar arriveert.

Ik troost mij in de gedachte dat ik inmiddels wel ruim 4 euro heb bespaard die ik anders aan parkeergeld kwijt was geweest, maar als de duisternis intreedt en de kou vat op mij krijgt, besluit ik het alsnog op te geven en met verkleumde vingers een tweet aan de gemeente Haarlem te tikken: ‘Ik was zo graag gevraagd mijn kenteken in te voeren’.

Ik heb niet eens een auto.

O, en gemeente, als jullie dit toch lezen: ik juich het enorm toe, dat intermenselijke contact, beetje onthaasten en zo, maar zou het niet veel praktischer zijn als er parkeerautomaten waren waar de automobilist gewoon direct zelf zijn kenteken kan invoeren? Dan kun je volstaan met een tekst als ‘Voer uw kenteken in s.v.p.’ – vriendelijk doch doeltreffend.

Parkeerautomaat

Episch

Bezing mij de wrok, o muze, van de dochter van Harvey, Irma, die ongenadige wrok die de bovenwindse eilanders grenzeloos leed bracht, tal van krachtige zielen prijsgaf aan haar onbarmhartige oog en ten prooi liet vallen aan de onderwereld, zij nu waarlijk onderwereldfiguren – zo werd de wil van Aeolus vervuld – vanaf het moment dat de heilige Maarten, heerser der Antillen, en de goddelijke Irma ten eersten male als rivalen tegenover elkander stonden. Wie van de goden had in een apocalyptische vlaag van verstandsverbijstering beiden in zulk een twistzaak verwikkeld?

Negen uren teisterde de onwelriekende Irma met haar adem de huizen en de schepen der Antillianen. Maar in het tiende uur was het de blankarmige Rutte die het heldhaftige volk bijeenriep. Toen zij allen bijeen ter vergadering waren gekomen, rees van zijn plaats de dappere Rutte en bracht in het midden: “Heilige Maarten, ik vrees dat we, áls we de dood al ontsnappen, niet huiswaarts kunnen keren daar onze huizen door de machtige toorn van de goddelijke Irma uiteen zijn gereten. Laat ons daarom een waarzegger of priester vragen, dan wel een duider van dromen, die ons verklaart wat de woede van de blazende Irma gewekt kan hebben, en deze in de meest lyrische vormen te bezingen omdat wij waarlijk kunnen vaststellen dat deze toorn van epische proporties is.”

Zo sprak de vlugge Rutte, en ging toen weer zitten.

Episch

(vrij naar)

Episch

Complotgekkie

Veel mensen die met enige regelmaat smalend het woord ‘complotgekkies’ bezigen, kunnen nog altijd maar moeilijk bevatten, om niet te zeggen: verkroppen, dat de man die zaterdagavond inreed op publiek op Amsterdam CS, zijn gaspedaal te ver indrukte ten gevolge van een onwelwording, en niet omdat zijn TomTom dit als kortste route naar 72 maagden had aangegeven.

Om de semantische discussie nog even terzijde te schuiven of de politie straks, als zij alsnog schoorvoetend moet toegeven dat de man door Allah gezonden was, kan volhouden dat terroristen per definitie ten prooi zijn gevallen aan een soort permanente onwelwording, is het natuurlijk nogal een sterk verhaal dat midden in het islamitische botsautootjesseizoen een vergelijkbaar incident in een Europese hoofdstad zou plaatsvinden waarbij de bestuurder geen terroristisch oogmerk zou hebben. Ik bedoel, je kunt ook op de Dorpsstraat in Nibbixwoud je insuline vergeten.

Als de politie dan ook nog verklaart dat de automobilist én geen alcohol in zijn bloed had (op zaterdagavond om 21 uur!) én zo’n 16 uur na zonsopgang een lage bloedsuikerspiegel had, dan is het bewijs wel sluitend: hier moet een handlanger van IS ten tijde van de ramadan aan het stuur gezeten hebben. Het ontkennen hiervan door de politie(k) is derhalve een schoolvoorbeeld van een Complot ter Ontkenning van een Aanslag – het zal geen toeval zijn dat de afkorting hiervan gelijkstaat aan die van de organisatie die de instroom van vluchtelingen orkestreert.

Als beginnend complotdenker borrelde er onmiddellijk een enorme woede in mij op. Schandalig dat de overheid die ons moet beschermen deze zaak niet tot de bodem uitzoekt!

Welnu, een dag later vond huiszoeking plaats bij de bestuurder en verklaarde de politie dat er definitief geen sprake van opzet was. Eerlijk gezegd leek mij dit de doodssteek voor de complottheorie, maar niets bleek minder waar. Juist het feit dat de politie huiszoeking had gedaan, wat mij, o naïeveling, volkomen vanzelfsprekend, ja zelfs noodzakelijk had geleken wegens de bovenvermelde golf van roekeloos rijdende mohammedanen waar de Europese hoofdsteden recentelijk door worden geteisterd – stel je de volkswoede voor als ze de man naar huis hadden gestuurd zonder zijn doopceel te lichten – was hét ultieme bewijs dat de politie niet het hele verhaal vertelde. Want waarom doe je huiszoeking bij iemand die alleen maar acht mensen het ziekenhuis in reed omdat hij diabetes heeft?

Nou? Hè? Ha!

En waarom staat zijn naam nog niet in de krant? Nou? En wat is dit nu? Geen enkele camera op Amsterdam CS heeft het incident geregistreerd? Dat kan toch niet?

Ik ga iets zeggen wat niet zo salonfähig meer is: ik weet het niet. Alles bij elkaar vind ik het een vreemd verhaal, maar ik heb ook geen enkel bewijs dat de lezing van de politie niet klopt.

Wat rest, is de zelfgefabriceerde complottheorie-bullshit-detector: die werkt altijd (voor eigen gebruik) en bestaat uit twee simpele vragen:

1. is de vermeend achtergehouden waarheid wel geloofwaardig?
In dit geval concreet: stel dat je als IS-soldaat met je auto slachtoffers wilt maken in de mierenhoop die het stationsgebied van Amsterdam is, is slalommen tussen tram 2, 5 en 13 dan de meest doeltreffende manier om dat te doen, nota bene nadat je je eerst staande hebt laten houden en naar het zich laat aanzien zonder wapens?

2. welk belang hebben de autoriteiten bij het achterhouden van die waarheid?
Het bovenstaande schijnt een extreem naïeve vraag te zijn, omdat men nu eenmaal graag het volk moedwillig voorliegt. Er zijn inmiddels een hoop mensen die dit weten, en dus wellicht in het complot zitten, maar de naïeveling in mij ziet het almaar niet en blijft maar denken dat de politie morgen alsnog kan zeggen dat ze verdachte zaken hebben gevonden als dat zo is, of niet als dat niet zo is.

Het enige verdachte wat ik tot nu toe heb kunnen ontdekken, is dat ‘autoriteiten’ met ‘autorit’ begint.

Complotgekkie

Veilig

Beste Ralf Bodelier,

Als de misselijkmakende aanval op 22.000 concertbezoekers, grotendeels kinderen, überhaupt de geschiedenisboeken in zal gaan en dus niet vergeten zal worden tussen de tientallen mogelijk nog ziekmakender gevallen die nog zullen volgen, dan is het als een aanslag waarbij 22 doden vielen. Een relatief klein aantal, waarin jij een rechtvaardiging ziet om nog altijd, na Parijs, na Brussel, na Nice, na München, na Saint Etienne du Rouvray, na Berlijn, na Istanbul, na Londen, na Stockholm, na voor de zoveelste keer Parijs en na Manchester – met excuus voor mijn selectiviteit – een tijdsgewricht in de recente geschiedenis te vinden waarin het getalsmatig nóg erger was. Hiermee tracht je je dochter gerust te stellen: ‘kleiner dan ooit’ noem je de kans dat wij ‘door oorlog, terrorisme of moord getroffen worden’.

Het is mooi dat je spreekt over ‘getroffen worden door’ en in het vervolg van je betoog duidelijk maakt wat je daaronder verstaat, namelijk ‘omkomen bij’. Het aantal doden vormt immers het enige gegeven waarmee je beargumenteert dat het volgens jou in 1977 ‘veel gevaarlijker’ in Europa was dan nu. Ik moet concluderen dat je van mening bent dat uitsluitend de tweeëntwintig doden in Manchester ‘getroffen zijn door oorlog, terrorisme of moord’, maar niet de zestig gewonden en de tweeëntwintigduizend aanwezigen. Zij, grotendeeels dus kinderen met nog een heel leven voor zich, kunnen wat jou betreft rustig gaan slapen: er is relatief weinig aan de hand.

Nu is het prijzenswaardig dat je je dochter een mooie toekomst in het vooruitzicht wilt stellen, maar stellen dat het in 1977 ‘veel gevaarlijker’ was in Europa, is ongeveer hetzelfde als er na de wereldwijde cyberaanval met Wannacry op wijzen dat er in 1999 veel meer computervirussen rondwaarden. De vergelijking is krom, getalsmatig zeer dubieus en bovenal volkomen irrelevant.

Waarom, beste Ralf, ga je zo angstvallig en opzichtig op zoek naar houvast om de dreiging van islamitisch terrorisme, waar je dochter nog jaren mee te maken zal hebben, te bagatelliseren? Waarom laat je, in een betoog over de veiligheid in Europa, de ‘huidige jihadistische terreurgolf’ niet beginnen bij de Bataclan in november 2015, maar in New York in 2001, overigens zonder de 3000 doden die daar vielen mee te nemen in je berekeningen? Vanwaar dat gegoochel met cijfers om maar de gewenste conclusie te kunnen trekken? Bij welk precieze aantal doden binnen welke periode en welke geografische grenzen concludeer jij dat het niet meevalt en dat het nu minder veilig is dan in 1977?

Maar vooral: waarom is dat van belang? Wat heeft je dochter eraan dat er decennia geleden in ons omringende landen interne conflicten woedden die levens eisten, als zij zelf in het hier en nu geconfronteerd wordt met extreme veiligheidsmaatregelen die ik me in ieder geval niet kan herinneren van, pak hem beet, de huldiging van het Nederlands Elftal in het zeer gevaarlijke jaar 1988? Als je dochter met een zware griep en hoge koorts op bed ligt, stel je haar toch ook niet gerust met de boodschap dat ze in ieder geval geen kanker heeft?

Beste Ralf, ik wil je geen angst aanpraten. Net zo min als jij kan ik in de toekomst kijken. Misschien heb je gelijk en waait de storm wel over, voor zover je daar nog van zou kunnen spreken. Maar misschien doet hij dat niet en blazen de aanhangers van het islamitische extremisme zelfs het meest bagatelliserende statistiekje aan diggelen. De ontwikkelingen in de afgelopen anderhalf jaar in ogenschouw nemend is dat niet een heel onwaarschijnlijk scenario. Je dochter hoeft er niet bij om te komen om er toch ongelooflijk bang voor te zijn.

Laat je dochter vooral positief in het leven staan en naar concerten en festivals gaan. Maar de drie rijen beveiliging waar zij doorheen moet, staan daar niet omdat Facebook en Twitter tien, twintig, dertig of veertig jaar geleden niet bestonden. Die staan er omdat er helaas een reële dreiging is die er eerst niet was en die nog altijd groeiende is. Met het relativeren van die dreiging is niet veel mis, maar als dat tegen beter weten in gebeurt wordt het bagatelliseren, en dat is pas echt gevaarlijk.

Veilig

Vrij

Een lichte euforie moet zich meester hebben gemaakt van het Comité 4 en 5 mei toen de resultaten van het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2017 binnendruppelden. De 896 respondenten uit de database van TNS NIPO, die zo representatief is voor de gehele bevolking dat ondergetekende (gewone man, brave belastingbetaler, geen strafblad, gemiddeld postuur) er nog nooit voor benaderd is, bleken zich voorbeeldig gedragen te hebben en nóg sociaal wenselijker antwoorden gegeven te hebben dan de deelnemers van vorig jaar.

Het nieuws waarmee het Comité vooral naar buiten treedt – steeds meer Nederlanders vinden dat Bevrijdingsdag een nationale vrije dag moet worden – is, toevallig of niet, de enige onderzoeksuitkomst die in de verantwoording niet wordt behandeld. Toch schijnt dit jaar 70% te vinden dat 5 mei een vrije dag voor iedereen moet zijn, en vorig jaar nog maar 60%.

Er even van uitgaande dat deze wijziging niet verklaard wordt door de aanwas van nieuwe jonge respondenten die niet vaak genoeg stil kunnen staan bij de verschrikkingen van de oorlog, en het overlijden van oude die er een beetje klaar mee waren, moeten er dus mensen zijn die in een jaar tijd radicaal van mening zijn veranderd. Graag was ik meer te weten gekomen over de loutering die deze mensen het afgelopen jaar hebben doorgemaakt.

Ook de onderzoeksmethode intrigeert me mateloos, want hoe ontmoedigend moet de vraagstelling in vredesnaam zijn geweest als maar liefst 30% – en vorig jaar dus zelfs 40% – aangeeft géén prijs te stellen op een vrije dag? Een snelle rondgang langs mijn timmerman, financieel adviseur en huisdier leert dat een lobby voor een vrije dag op, pak hem beet, 24 juni (of 13 januari, maar dat heb ik niet onderzocht) net zo goed op de steun van ten minste tweederde kan rekenen (ik respecteer uiteraard de privacy van mijn respondenten).

Ondanks deze kanttekeningen is het Comité duidelijk in zijn nopjes met de uitkomsten van zijn eigen onderzoek en presenteert het deze met een zeker triomfantalisme. Als zeven op de tien Nederlanders vinden dat 5 mei een vrije dag moet zijn, waarom gebeurt het dan niet gewoon, politiek?

Welnu, wie werkelijk ziet hoe de vork in de steel zit, ontwaart een veel somberder beeld. Om te beginnen zijn weliswaar steeds minder, maar nog altijd ongeveer een half miljoen Nederlanders werkloos. Hun mening doet er in dezen met alle respect niet al te veel toe, maar als ze ergens belang bij hebben, is het wel dat iedereen zo veel mogelijk doorwerkt.

Zelf ben ik al sinds mijn geboorte vrij op Bevrijdingsdag. Gewoon, omdat ik in een vrij land woon, maar ook omdat ik samen met honderdduizenden anderen werk bij een (semi-)overheidsinstelling waar men bij het minste of geringste het werk neerlegt. Ook voor hen verandert er niets indien 5 mei een vrije dag voor iedereen wordt. Voeg daarbij de kinderen, jongeren, studenten, gezinnen die de hele meivakantie in het buitenland doorbrengen en de gepensioneerden, en de conclusie moet zijn dat verreweg de meeste Nederlanders al lang en breed niet hoeven te werken op Bevrijdingsdag.

Persoonlijk vind ik het wel prettig dat als ik dan toch niet hoef te werken, ik met het openbaar vervoer kan reizen, boodschappen kan doen of, mocht het echt nodig zijn, een openhartoperatie kan ondergaan. Maar sinds de Albert Heijn om de hoek alleen nog gesloten is tussen 2 en 4 uur ’s nachts als Orion en Mercurius in één lijn staan, zijn dat allemaal dingen die nu ook al kunnen op alle dagen die wél officieel als feestdag gelden.

Het onderzoek moet wel betrekking hebben op het deel van de beroepsbevolking dat deze verworvenheden van de welvaartsstaat mogelijk maken: behalve de treinconducteurs, vakkenvullers en chirurgen ook de winkeliers, de kappers en natuurlijk de mensen achter de bar. Uit onderzoek in opdracht van het Comité 4 en 5 mei blijkt dat steeds minder van hen het ook maar iets lijkt te kunnen schelen of de mensen die een welverdiende vrije dag hebben, daar al dan niet comfortabel van kunnen genieten.

Steeds meer Nederlanders willen dat Bevrijdingsdag een nationale vrije dag wordt? Nee: steeds minder Nederlanders zijn bereid om op Bevrijdingsdag hun handen uit de mouwen te steken om dit land uit de drek te trekken. Dat dit sentiment uitgerekend op een dag als 5 mei opborrelt, illustreert met een bittere symboliek hoe het met onze naastenliefde gesteld is.

Hè, heerlijk toch, zo’n meivakantie. Je komt weer eens toe aan het schrijven van een onzinnig stukje.

 

P.S. Gevraagd naar welke vrije dag zou moeten sneuvelen in het geval Bevrijdingsdag een nationale feestdag wordt, kiest drie op de tien de nationale feestdag genaamd Goede Vrijdag. Dat betekent óf dat er mensen bestaan, en veel ook, die wel vrij zijn op Goede Vrijdag maar niet op Bevrijdingsdag, óf dat de respondenten niet representatief zijn, óf dat ze volslagen imbeciel zijn, óf een combinatie van dit alles.

Vrij

Smaakpolitie

In hetzelfde jaar waarin we voor het eerst een Tweede Kamervoorzitter van Marokkaanse origine kregen en de immens populaire islamitische burgemeester van wereldstad Rotterdam wellicht een gooi doet naar het lijsttrekkerschap van een, toegegeven, enigszins gedecimeerde arbeiderspartij, vond een voormalige videojockey, modeontwerpster en presentatrice van het educatieve spelprogramma Sexquiz on the beach het racistisch gehalte van de Nederlandse samenleving zo onacceptabel hoog geworden dat zij hier iets aan moest doen, en zich daarom aansloot bij DENK, een beweging die geen onvertogen woord over de fascist Erdogan durft te laten vallen, en zich weigert uit te spreken over de Armeense genocide kwestie.

Het zijn voorwaar verwarrende tijden.

Je kunt je afvragen hoe de reacties waren geweest als niet Sylvana Simons maar – pak ‘m beet – Caroline Tensen een gooi naar het Kamerlidmaatschap zou hebben gedaan. Me dunkt dat ze niet direct onverdeeld lovend zouden zijn geweest – met dit verschil dat we Caroline Tensen gewoon een stom wijf kunnen vinden, maar Sylvana Simons al snel een stom wijf vinden omdat ze zwart is.

Het behoeft geen betoog dat Sylvana een hoop onverkwikkelijks over zich heen gekregen. Daar zaten ronduit racistische uitlatingen tussen, maar gelukkig hebben wij een wetboek en rechters die daar een oordeel over vellen. Voor het overige waren het óók steekhoudende kanttekeningen bij een zichzelf overschattende BN’er die zich aansluit bij een bijzonder bedenkelijk clubje. Kan het zijn dat opmerkingen die Caroline Tensen lijdzaam zou hebben moeten ondergaan – zeg maar de lading stront die 100% van de goeddeels blanke gasten van Pauw over zich uitgestort krijgt – toegepast op Sylvana Simons afgedaan worden als racisme?

Komende maand gaan 59.000 Nederlanders bij Danny Blind op de bank het EK kijken. Niet echt natuurlijk; het gaat hier om volstrekt onschuldige satire ten koste van onze bondscoach, die er natuurlijk ook niks aan kan doen dat hij Blind is. Zou de grap zijn onschuld behouden als niet Blind maar Clarence Seedorf de falende coach was geweest? Ik mag hopen van wel, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de beschuldiging van racisme tegenwoordig wel erg snel op de loer ligt.

Maar ja, zeg nog maar eens dat negers behalve een grote pik ook ontzettend lange tenen hebben.

Rapper Gikkels werd onlangs bij Nieuwsuur een uur lang geen strobreed in de weg gelegd om te betogen dat het gehele systeem in de Nederlandse samenleving door en door racistisch is. Aangezien ik onze staatsomroep tot dat systeem reken vond ik zijn betoog niet al te veel hout snijden, maar – of eigenlijk: want – hij kon het wel allemaal zeggen. Het bizarre is nu dat het beeld van ‘de’ witte Nederlander als racist – op zich een racistische zienswijze – op zo veel bijval kan vallen van… de witte Nederlander. Hoeveel zelfhaat kan een mens bezitten?

Sylvana zelf hoorde ik bij RTL Late Night zeggen dat ‘iedereen wel voor de vrijheid van meningsuiting is’, maar de vrijheid om iedereen te beledigen, nee, daar kon ze niet achter staan. Nu hoor je politici zichzelf wel vaker tegenspreken, maar zo bij je debuut, en dan ook nog eens binnen één volzin, dat was toch wel bijzonder.

Het wil er maar niet in dat de vrijheid van meningsuiting de vrijheid van beledigen impliceert. Mensen die hun zin beginnen met ‘Ik ben voor de vrijheid van meningsuiting, maar…’ bewijzen in het vervolg doorgaans waarom zij tegen de vrijheid van meningsuiting zijn.

Wat deze mensen bindt, is de opvatting dat je weliswaar alles moet kunnen zeggen, maar dit nog niet betekent dat je dat ook moet doen. Een sympathiek idee, goed toepasbaar als voornemen voor eigen gebruik, maar volstrekt onhoudbaar als norm, en stelselmatig vergeet men dan ook te vermelden wie het gaat beoordelen als anderen deze gouden regel overtreden, en welke sanctie daar dan op staat.

Het is simpel: als je voor de vrijheid van meningsuiting bent, is je houding ten opzichte van beledigingen een kwestie van smaak. Meneer Erdogan, die ik overigens een lul vind ook al betwijfel ik dat hij de liefde bedrijft met evenhoevigen, heeft met zijn doldwaze aanklacht tegen de komiek Böhmermann in Duitsland feilloos aangetoond wat er gebeurt als je hieraan tornt. Dat zijn strapatsen op zelfs maar enige sympathie kunnen rekenen binnen de grenzen van Europa vind ik uitermate kwetsend. Helaas geniet Erdogan massale steun in Europa, en dat zich afkeren van de westerse verworvenheden vind ik nu eens een probleem. Probeer dat nog maar eens ter discussie te stellen zonder het voor de hand liggende verwijt naar je hoofd geslingerd te krijgen.

Gelukkig komt er hulp van Facebook, Twitter en YouTube, die nu beloven om kwetsende teksten sneller te gaan verwijderen. Ik ben benieuwd hoe hun smaakpolitie mij gaat faciliteren; het is een godsonmogelijke opgave.

Er is – behalve de gang naar de rechter – maar één zinvol advies voor wie niet gediend is van een belediging aan zijn of haar adres: negeren. Maar dat woord zal ook wel weer racistisch zijn.

Smaakpolitie

De wet van Grunberg

In tijden van crisis leer je je vrienden kennen, en dus stond deze week plotseling mijn halve Facebook-timeline vol met een Voetnoot van Arnon Grunberg.

Die citeerde met instemming een Israëlische minister, die op het hoogtepunt van de Tweede Intifada volhield dat er nog altijd meer verkeersdoden in Israël vielen dan dat er mensen stierven aan terrorisme. Om deze reactie vervolgens te prijzen tegenover die van staten die hun vrije samenleving omvormen tot politiestaat, zoals ‘de heer Wilders’ voorstaat.Voetnoot Grunberg 23 maart 2016

Hier gaan een paar dingen verschrikkelijk mis. Wie de dodelijke slachtoffers van terroristische aanslagen vergelijkt met verkeersdoden, vergelijkt mensen die bij een aanslag gewond raken met mensen die ongelukkig van hun fiets vallen, en de mensen die een metro eerder hadden dan die ene die werd opgeblazen met mensen die ook wel eens langs de boom rijden waartegen zich laatst een dronkenlap te pletter reed.

De man die op 15 april 2013 bij de Boston Marathon ging kijken, op 13 november 2015 in Parijs was en afgelopen dinsdag zwaar gewond raakte op vliegveld Zaventem (hij bestaat), moet volgens deze redenering vooral goed blijven opletten bij het oversteken, omdat de kans nogal groot is dat hij in zijn Mormoonse dorp onder een paard-en-wagen belandt.

De relativering van de dreiging en het ‘Gaat u maar rustig slapen’ zijn natuurlijk hartstikke goed bedoeld, maar tegelijk een tikkeltje naïef, om niet te zeggen volkomen misplaatst, en welbeschouwd nogal onbeschoft tegenover de nabestaanden en de honderden, zo niet duizenden overlevenden die met een levenslang trauma zijn opgezadeld.

Maar er gebeurt hier nog iets kwalijks. Wanneer je, zoals ik, niet in staat bent de moreel superieure zienswijze tot je te nemen, ben je door Grunberg en de zijnen automatisch veroordeeld tot het kamp Wilders. Dan wil je een politiestaat, dan wil je alle grenzen dicht en dan wil je preventieve opsluiting. Er zit niets tussen, en zolang alle politieke partijen blijven vervallen in wegkijken, alleen maar uit angst om met Wilders geassocieerd te worden, ben ik bang dat dit nog overeenkomt met de werkelijkheid ook. Ik bevind mij als burger echter wel degelijk tussen deze twee extremen: ik weet dat ‘grenzen dicht’ het probleem niet oplost, maar erken op zijn minst dat ‘grenzen open’ dat zeker ook niet doet. Ik wil geen politiestaat, maar weet ook dat we het gevaar niet kunnen beteugelen zonder ingrepen die indruisen tegen de vrijheid die we ooit verworven maar verkwanseld hebben.

Dat Wilders er met zijn haren wordt bijgesleept, is om nog een reden merkwaardig. Want hoewel zijn kapsel ertoe uitnodigt: waarom is het na zo’n aanslag belangrijker om de pijlen op hem te richten dan om stil te staan bij de horreur die onze samenleving binnen is geslopen? Wat is dat voor merkwaardige afleidingsmanoeuvre? Gebeurt hier niet waar Wilders juist voor waarschuwt, en zouden we er niet verstandiger aan doen om toe te geven dat helaas opnieuw een klein deel van zijn inktzwarte wereldbeeld bewaarheid is geworden? Waarom moeten bananen wel recht zijn als Wilders zegt dat ze krom zijn?

Ontkenning boven erkenning. De wetmatigheid die zich hier voor lijkt te doen is een soort omgekeerde Godwin: naarmate er meer aanslagen komen, wordt de vergoelijkende vergelijking met verkeersdoden, keukentrapjes, de bliksem of aanslagen elders steeds sneller gemaakt.

De grote vraag is wanneer voor deze mensen de maat dan wel vol is, als die dat nu nog niet is? Is dat wanneer er bij terreur wel net zo veel dodelijke slachtoffers vallen als in het verkeer? Als een kerncentrale wordt opgeblazen? Moet er een aanval met chemische wapens plaatsvinden? Je zou verwachten dat dit moment allang is aangebroken, maar verrassend veel mensen weten te volharden in hun intussen prijzenswaardige naïviteit.

Een zinvolle en relevante vergelijking zou zijn: ‘Er vallen meer doden door moslimterreur in Europa dan voordat de moslimterroristen zich in Europa nestelden.’ Wij leefden in een samenleving waarin het journaal opende met het verplicht stellen van dodehoekspiegels voor vrachtwagens, omdat verkeersdoden ons grootste probleem waren. Zichzelf opblazende fundamentalisten, homohaat en vrouwenonderdrukking waren zaken die zich ver van ons bed afspeelden. Zonde dat de rest van de wereld nog niet zo ver is als wij, dachten we dan.

Ik wil gewoon Harmen Siezen terug die de invloed van zadelpijn op het dalende geboortecijfer duidt. Wie dat ook wil, zal toch echt door wat andere pijntjes heen moeten.

De wet van Grunberg