Het IS-debat

Desperate times call for desperate measures. Daarom ga ik iets heel raars doen, en mijn ogenschijnlijk diepgewortelde en in ieder geval zorgvuldig gecultiveerde haat jegens voetbalclub F. ontzenuwen.

Het is gelukkig alweer ruim vijftien jaar geleden dat de Club van Zuid, toen nog de Club met de Kale Voorzitter, landskampioen van Nederland werd. Vermoedelijk heeft politieke infiltratie in het aankoopbeleid ervoor gezorgd dat deze ellende ons sindsdien bespaard is gebleven, en ook in het huidige seizoen lijkt deze succesvolle aanpak zijn vruchten weer af te werpen. ‘Dit nooit meer’, moet men in 1999 in Den Haag gedacht hebben, nadat het slagveld genaamd ‘huldiging’, dat zes jaar eerder al eens CNN had gehaald, de Rotterdamse binnenstad opnieuw had omgetoverd in een decor dat sterk deed terugdenken aan de Duitse bombardementen van 1940.

(Het leek mij verstandig de Godwin alvast in dit gedeelte van mijn betoog te plegen.)

De jarenlange misdragingen van de supporters hebben mijn aangeboren Feyenoord-aversie bepaald niet verminderd. ‘Hoe kun je in vredesnaam voor een club zijn met zulke aanhangers?’, zo redeneerde ik niet geheel zuiver maar ook niet geheel onredelijk.

Zaten er bij andere clubs dan geen randdebielen op de tribune? Natuurlijk wel, maar die van Feyenoord waren het ergst, het grootst in aantal en het kundigst in sloperijen.
Vond ik dan alle Feyenoord-supporters randdebielen? Nee, natuurlijk niet. Sommigen, als je goed zocht, wekten in een onbewaakt ogenblik zelfs de indruk een IQ tot wel 85 te kunnen halen.

Waar ik me dan aan stoorde? Aan het feit dat er geen enkel weerwoord werd geboden aan die bezoedeling van de clubnaam. ‘Ja, het is maar een klein deel dat het altijd verpest voor de rest’, hoorde je dan. Hoe groot dat kleine deel dan was, wist overigens niemand te zeggen, en van de overgrote meerderheid van de rest leek niemand zich geroepen te voelen in opstand te komen of hun club voor een aangenamere in te ruilen. Nog veel erger: degenen van wie je het mocht verwachten, gaven niet thuis. Waarom liep het team niet gewoon een keer demonstratief van het veld? Waarom sprak de aanvoerder zich in de plichtmatige interviewtjes voor Studio Sport niet een keer keihard uit tegen het rapaille? Waarom smeekte het bestuur niet om een paar strafpunten bij de KNVB? Waarom werd niet gewoon uitgelegd dat er geen geld was voor goede spelers omdat de club zich al scheel betaalde aan schadevergoedingen? Ja, waarom werd daarentegen het legioen zelfs bejubeld als er bij een wedstrijd een keer niets gesloopt was?

Nou, zou je als apologeet kunnen zeggen, omdat je je toch zeker niet hoeft te laten gijzelen door de misdragingen van enkele amoebes als je van duizenden anderen nooit last hebt? Dat is strikt genomen een correcte, maar helaas zeer naïeve gedachtegang. Of het nu 1, 10 of 50% van het supporterslegioen betrof, doet eigenlijk niet ter zake: het gaat er namelijk niet om dat alle Feyenoorders het gedrag vertoonden, maar dat allen die het gedrag vertoonden, Feyenoorders waren. Feyenoord was de gemene deler, het geweld werd gepleegd door mensen in hun hoedanigheid van Feyenoorder, en of Feyenoord dat nu leuk vond of niet, of het gedrag representatief was voor de rest van Feyenoord of niet, Feyenoord had daardoor een probleem.

De oplossing voor dat probleem was niet zeggen dat de raddraaiers eigenlijk geen Feyenoorders waren, want dat zouden ze ontkennen; sterker nog, ze zouden zeggen dat zij juist de enige echte Feyenoorders waren. De oplossing was ook niet wijzen naar de misdragingen van de Ajax-aanhang, want dat was niet alleen een grove drogreden; deze stonden ook in geen enkele verhouding tot de schaal waarop vernielingen en Feyenoord hand in hand (pun intended) gingen.

Nee, de oplossing moest vanuit de club zelf komen. Ik ben er stellig van overtuigd dat dit bij Feyenoord is gebeurd. Inmiddels kan ik het velen wanneer een speler het publiek oprecht bedankt (na een uit het vuur gesleept gelijkspel thuis tegen Cambuur bijvoorbeeld), en laat de club met acties tegen het gebruik van het woord ‘kanker’ in het stadion niet alleen zien dat zij kritisch tegenover de eigen aanhang staat, maar daar ook verantwoordelijkheid voor neemt. Zo hoort dat: als zichzelf respecterende gemeenschap kun je niet anders dan de donkere kanten onder ogen zien van degenen uit jouw naam zeggen te handelen, en je daar ondubbelzinnig van distantiëren. Het is bepaald niet gezegd dat je het wangedrag daarmee uitbant – er sneuvelt dan nog steeds wel eens een treinstel en vanavond was het ook weer onrustig op de tribune – maar kwaad kan het nooit, en je kunt niet duidelijk genoeg stelling nemen, al was het maar om misverstanden in de publieke opinie te voorkomen.

Ben je als vertegenwoordiger van een groep dan verplicht om openlijk afstand te nemen? Nee. Rechtvaardig je het foute gedrag als je het niet doet? Nee. Zou het terecht zijn als de leden van jouw groep worden aangesproken op het gedrag van de onruststokers? Nee. Maar zou een krachtig weerwoord helpen om te voorkomen dat dat gebeurt? Ja, zeker. Zou het dus handig of wenselijk zijn om je uit te spreken? Ja, zeker!

Is het dan misschien heel moeilijk om te doen? Nee, boven alles is het juist ongelooflijk makkelijk, zoals het voor onze minister-president heel makkelijk is om zijn afschuw uit te spreken over de Volkerts, de Breiviks, de Karsten en de Tristans – die nota bene niet eens handelen uit naam van zijn groepering of land. Maar hij doet het wel altijd. Doet hij het niet, dan wordt er druk uitgeoefend om het toch te doen, en blijft het dan nog stil, dan kunnen we de straat op om het te eisen. Allemaal hele gezonde mechanismes, die bij sommige groepen helaas niet werken.

Het enige wat ik me kan voorstellen – onze premier moet hooguit één keer per jaar zo’n obligaat praatje houden – is dat het wat vermoeiend wordt als je je tegen elk vernield treinstel, voor elke geworpen baksteen en voor elke kankeruitspraak moet uitspreken. Maar dat zegt dan stiekem misschien toch iets over de groep die je aanhangt.

Het IS-debat

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.