Menselijk

Het mooiste van dat conflict binnen de Partij voor de Dieren is nog wel dat het de partij van haar meest menselijke kant laat zien. Twee exemplaren van de vrouwelijke species die elkaar in de haren vliegen om de volgorde van een kandidatenlijst, in een twist met als belangrijkste ingrediënten wantrouwen, jaloezie, partijpolitieke belangen en natuurlijk geld: dat zie je in het dierenrijk niet zo snel gebeuren, laat staan in een voor journalisten hermetisch afgesloten congreszaaltje.

De Partij voor de Dieren bestaat om onze geliefde medesoorten – twee- én viervoeters, acht- én duizendpotigen, evenhoevigen én onevenhoevigen, slurf- én knaagdieren, zoogdieren én reptielen, geleedpotigen en, ehh, niet geleedpotigen – een stem te geven. Omdat ze zelf te dom zijn om meer uit te kunnen brengen dan ‘miauw’, ‘boe’ of ‘ia’ (en dan hebben we het nog over de slimste van het stel), is Marianne Thieme naar het Binnenhof geroepen om de grootste visstanden misstanden aan de haak kaak te stellen.

Interessant is dan ook hoe in het dierenrijk wordt aangekeken tegen het conflict binnen de dierenpartij; uiteindelijk is het vooral in hun belang dat de juiste personen op een verkiesbare plek terechtkomen. Het is bekend dat de haringpopulatie in de Noordzee bepaald geen aanhanger is van Ouwehand, maar voor het overige tasten wij volledig in het duister – te meer omdat behalve journalisten ook dieren wonderlijk genoeg niet welkom waren op het partijcongres.

Het is dan ook hoog tijd voor een Metapartij voor de Dieren, die namens de dieren aangeeft hoe de Partij voor de Dieren zou moeten opereren. Liefst met een krachtige leider die zijn nek durft uit te steken (wij denken aan een giraffe-achtige) en als premierkandidaat (MP voor de Dieren) naar voren geschoven kan worden.

Intussen zou de PvdD haar interne conflicten op een voor de achterban geloofwaardiger manier moeten oplossen; met Jip en Janneke-taal dring je tot de gemiddelde amoebe nog niet door. Een conflict om macht en geld is misschien menselijk; een dierlijk gevecht op leven en dood, puur natuur, zou een voor de hand liggende en passende oplossing bieden. Al was het maar om indruk te maken op de mannetjes.

Gedood

In de wereld van de actualiteit is er onmiskenbaar een tweedeling tussen goed nieuws en slecht nieuws. Aan het een is een chronisch gebrek en het ander is er in overvloed, maar iets als neutraal nieuws bestaat nu eenmaal niet; hooguit kan nieuws tegelijk goed nieuws zijn voor de een (zoals een aswolk voor een boer die zijn land vruchtbaarder ziet worden) en slecht nieuws voor de ander (zoals een aswolk voor een boer op reis of een boer die zich heeft opgewerkt tot directeur in de luchtvaartbranche).

Deze week was er een leider van Al Qaida gedood. Dat gebeurde in Irak, waar ook regelmatig onschuldige burgers omkomen of Amerikaanse soldaten sneuvelen. Dat is in beide gevallen slecht nieuws, vandaar ook dat ze omkomen (tragisch) of sneuvelen (sneu). Daarmee bedoelen we dat het volledig buiten hun schuld ligt dat ze aan hun eind zijn gekomen.

Bij een leider van Al Qaida ligt dat anders. Hij is niet onschuldig en ook geen soldaat, maar een strijder. Terroristenleiders en andere strijders worden gedood, wat zoveel wil zeggen als dat ze het er zelf ook wel een beetje naar gemaakt hebben. Leiders van soevereine staten daarentegen kunnen niet gedood worden, maar slechts vermoord – en vermoord is dan weer heel slecht nieuws. Of ze verongelukken in dichte mist: ook slecht nieuws, zelfs als we dan stiekem denken dat we mooi van een geflipte staatsman verlost zijn. Sterker nog: we doen dan zelfs beleefd alsof het ons enorm spijt wanneer een aswolk (hoe ironisch) ons belemmert bij de uitvaart aanwezig te zijn.

Er zit niets anders op dan te concluderen dat ‘gedood’ het eufemisme is dat je gebruikt wanneer je wil zeggen dat een moord goed nieuws is. Vroeger gingen we nog wel eens praten met een regering die ons ongunstig gezind was; nu onze vijanden niet langer langs landsgrenzen gedefinieerd kunnen worden, is het kennelijk acceptabel om te doden. Je zult nooit iemand horen betreuren dat een ander gedood is.

De dood van een Al Qaida-strijder: misschien is het wel helemaal geen nieuws. En dat is ook goed nieuws.

Eierflauwekul

Sacha de Boer doet nu al een week alsof ‘Eyjafjallajökull’ net zo makkelijk uit te spreken is als ‘Etna’, en dat irriteert me mateloos. Er is zo langzamerhand al meer troep over die hele eierflauwekul uitgespuwd dan door die vulkaan. Geen beter bewijs daarvoor dan het eerste vliegtuig dat vanavond weer opsteeg: dat betekende natuurlijk niet dat er nu ineens weer wel gevlogen kan worden, maar dat het klaarblijkelijk de hele tijd al had gekund – in de omstandigheden is althans niks veranderd.

Geleerde tongen beweren dat een eerdere eruptie van de Eyjafjallajökull in 1783 de aanzet vormde tot de Franse revolutie. In het inferno dat volgde mislukten namelijk jaren achtereen alle oogsten, maar dat weerhoudt ons er nu niet van om te beweren dat de boeren juist baat hebben bij de neerdalende as. In de achttiende eeuw echter stegen de prijzen, begon er onderhuids iets te borrelen bij het volk en kwam het zes jaar later tot een uitbarsting. Frankrijk zal dus wel weer Europees kampioen worden in 2016.

De enige reden waarom er nu een Europees vliegverbod is afgekondigd, is volgens mij omdat er in 1783 ook geen vliegverkeer was. En o ja, er was ook nog een hobbypiloot van de KLM die een jaar of dertig geleden een keer voor de lol door de krater van een vuurspuwende vulkaan meende te moeten vliegen, en zijn kist vervolgens ternauwernood weer aan de grond kreeg.

Conclusie: aswolken zijn eng, ook al kun je er gewoon omheen vliegen.
Had de wind deze maand iets anders gestaan, dan hadden we dichte mist uit het westen van Rusland heel eng gevonden, maar het lot viel op de aswolk. Dat weten we dan ook meteen: als er de komende tien jaar ook maar ergens een vulkaan uitbarst, wordt direct het vliegverkeer in de halve wereld lamgelegd – ongeveer zoals er nu alleen géén tsunamiwaarschuwing volgt als er een aardbeving in het centrum van Mongolië plaatsvindt, en dan nog alleen als het epicentrum zich een kilometertje of vijf onder de aardkorst bevindt.

Gelukkig hebben wij dan nog even Camiel Eurlings. Als een pauw zo trots kondigde hij aan dat wij nog veel eerder dan gepland onze intercontinentale vluchten zouden hervatten, zonder daar overigens bij te vermelden hoe we, eenmaal aanbeland boven Breda, Maastricht of Arnhem de nog potdicht zittende luchtruimen van onze buurlanden zouden omzeilen. Alleen voor Camiel ben ik blij dat we ons weer een week door angst hebben laten regeren; prachtig om hem zo te zien glunderen terwijl je weet dat hij de hele week al geen tijd aan zijn gezin heeft kunnen besteden.

Het ontbrak er nog maar aan of hij bood de gestrande reizigers in navolging van het zoutkaartje van de NS een lavakaartje van de KLM aan.

Supporters

Dit stukje over supporters zou volgens een handvol lezers die het voor de rest verpesten en helemaal niet komen om te lezen geen ‘Supporters’ moeten heten, maar ‘Een handvol relschoppers die het voor de rest verpesten en helemaal niet voor het voetbal komen’, omdat de supporters over wie het gaat, in hun optiek geen supporters zijn maar, juist, een handvol relschoppers die het voor de rest verpesten en helemaal niet voor het voetbal komen.

Ik ben, om het overzichtelijk te houden, geen aanhanger van deze theorie.

Als ik een handvol relschoppers zou zijn die helemaal niet voor het voetbal komt, en u denkt misschien wat een gekke metafoor maar vergelijk het aantal IQ-punten en u piept wel anders, als ik dus een handvol relschoppers zou zijn die helemaal niet voor het voetbal kwam, dan zou ik me door een burgemeester of voetbalbond die een wedstrijd verbiedt of zonder publiek laat spelen in het geheel niet spreekwoordelijk uit het spreekwoordelijke veld laten slaan. Ik kwam dan namelijk niet voor het voetbal maar om te knokken, en dat kan het best buiten het stadion, waar de bakstenen voor het oprapen liggen en de ME’ers als het een beetje meezit ook.

Het is niet meer dan usance, traditie ende folklore waarom die rellen altijd rondom een voetbalwedstrijd plaatsvinden; welbeschouwd is er in het digitale tijdperk geen enkele aanleiding meer nodig om een veldslag te beleggen. Maar als de ongeschreven wetten dan toch voorschrijven dat supportersbloed ritueel geplengd dient te worden rondom een beladen duel op de grasmat, dan zou het besluit om de bekerfinale in tweeën te splitsen natuurlijk alleen maar fantastisch nieuws moeten zijn voor de supporter die ik geen supporter mag noemen.

De werkelijkheid is echter dat het dat niet is: bij wedstrijden waar publiek van de bezoekende partij niet welkom is, vinden geen rellen plaats. Wetenschappelijk onderzoek toont het aan! Dat kan maar één ding betekenen: de hooligans zijn wel degelijk supporters, want als ze niet welkom zijn, zitten ze thuis bij moeder de vrouw met een bord aardappelen op schoot voor de tv.

Of… zouden ze dan werkelijk zo dom zijn dat ze niet begrijpen dat ze ook gewoon kunnen knokken als ze het stadion niet in mogen? Weten ze niet (of verdringen ze) dat er op niet-wedstrijddagen ook wel eens een trein naar Amsterdam rijdt? Denken ze werkelijk dat ze 45 euro voor een kaartje moeten neertellen alvorens ze de politie voor kutwouten mogen uitschelden en hun collega-supporters in elkaar mogen timmeren?

Dat laatste zou dan nog op het begin van beschaving kunnen duiden, maar dan trek ik wel mijn vergelijking met die handvol supporters in.

O ja, binnenkort verkiezingen. Misschien moeten we het uitpubliek daar ook maar eens weren.

Kurk

Het is een geruststellende gedachte dat ik, als ik het zelf tenminste haal, nog minstens vijfentwintig jaar van mijn oma kan genieten. Jammer is wel dat met het klimmen der jaren, ze is nu 95, de lichamelijke gebreken hand over hand toenemen. Het lichaam aanvaardt de wandeling naar het dorp nog maar enkele malen per week (volkomen terecht overigens, want het is een takkeneind) en tegen de broosheid der botten is boven een zekere leeftijd nu eenmaal geen kruid gewassen. Als oma dan een keer ongelukkig onderuit gaat, breekt het lichaamsdeel dat als eerste het plaveisel toucheert niet alleen de val, maar vooral ook onherroepelijk zichzelf.

Afgelopen jaar trof dit tragische lot oma’s rechterhand, dezelfde die niet al te lang geleden ook al eens in een wasmachine op centrifugestand terecht was gekomen. De pols zei in beide gevallen knak en dat was jammer, want oma’s rechterhand is, zoals zodirect zal blijken, van onschatbare waarde.

Gelukkig verliep het herstel naar omstandigheden wonderwel, maar als je tegen de honderd loopt valt er zelfs voor oma niet te spotten met de naijleffecten van een botbreuk. En zo pent zij nog altijd driftig oplossingen in haar cryptogrammenboekje, maar kan ze luttele dagen later lang niet altijd de met zwakke hand geschreven woorden herleiden, wat in combinatie met het kortetermijngeheugen, dat ook niet meer is wat het geweest is, nog wel eens tot confronterende situaties kan leiden.

Kan dat nog beschouwd worden als een manier om het leven spannend te houden, nu was er iets aan de hand wat van levens-, zo niet van landsbelang was. In blinde paniek belde oma haar zoon, mijn oom, en verordonneerde hem, zoals alleen moeders dat kunnen, om spoorslags haar kant uit te komen. Mijn oom schatte de ernst van de situatie direct goed in en vertrok met gierende banden, om een stief halfuurtje later het huis van een intussen in shock verkerende oma te bestormen.

Oma kreeg namelijk de kurk niet uit de sherryfles.

U moet twee dingen goed begrijpen: ten eerste dat oma al een jaar of tachtig op sherry leeft, en ten tweede dat troep met een schroefdop oma’s huis niet binnenkomt. Oma eist kwaliteit en kwaliteit zit onder een kurk, maar de kracht om de dop uit de fles te trekken was er nu dus even niet. Het lukte niet met haar handen, maar ook niet met een tang. Na drie kwartier wrikken en wroeten had ze, terwijl het zweet over haar hele lijf gutste, met haar laatste krachten naar de telefoon gegrepen.

Dat is dus de reden waarom mensen kinderen nemen. Even geroutineerd als liefdevol opende zoonlief uit voorzorg een fles of zeven, voldoende om het uit te kunnen zingen tot het geplande volgende bezoek, vijf dagen later.

Inmiddels is de auto van mijn oom uitgerust met zwaailicht en sirene, zodat hij in het zeer onwaarschijnlijke geval dat oma nogmaals in een soortgelijke situatie belandt, wat God overigens verhoede, op gepaste wijze kan uitrukken. En ik durf er wel iets om te verwedden dat de rietjes al klaarliggen voor het moment waarop de rechterarm weigert nog langer het glas te heffen.

H-woord

Het lijkt erop dat de Nederlandse politiek eindelijk bij zinnen is gekomen en nu ook de enige overheidshobby die Geert Wilders altijd vergeet als hij het over bodemloze verkwisting van belastinggeld heeft, eindelijk eens kritisch gaat beschouwen. Als de leden van Vereniging Eigen Huis nu net zo onverwacht redelijk blijken te zijn als die van de ANWB, kan het nog eens iets worden met de afschaffing van die krankzinnige hypotheekrenteaftrek. Ik heb daar overigens een hard hoofd in, maar heb als woningbezitter mijn steentje inmiddels bijgedragen door politiek zeer ongewenste antwoorden te geven in de ledenenquête.

Nu de politiek eindelijk gezwicht is, wordt het hoog tijd dat ook in de voetballerij de discussie over het H-woord weer openlijk gevoerd wordt.

Het H-woord werd ooit geïntroduceerd om startende scheidsrechters op weg te helpen, en was erop gericht om veelal jonge supporters op de voetbalmarkt te betrekken. Duizenden liefhebbers vonden door de jaren heen dankzij het H-woord hun weg naar het stadion, zonder overigens dat hier enige vorm van subsidie voor nodig was.

Niemand weet precies wanneer het H-woord in de voetballerij taboe is verklaard. Boze tongen leggen een verband met de modetrend van de afgelopen twintig jaar, waarin de ultrakorte sportbroekjes vervangen werden door halve tenten. Anderen wijzen op de spellingshervorming van 1995, waarin het H-woord plotseling met een tussen-n geschreven zou moeten worden.

Hoe het ook zij, sinds het H-woord uit de stadions is verbannen, vieren openbare geweldpleging en spreekkoren de boventoon. Inmiddels wordt er iedere week wel een wedstrijd in het betaald voetbal stilgelegd als de supporters het na een onjuiste beslissing gemunt hebben op een verre achterneef van de arbiter, die naar verluidt verwekt is door een dame van dubieus allooi – of wanneer de grensrechter na een vermeend incorrecte waarneming wordt uitgescholden voor iemand met het syndroom van Down die te veel is blootgesteld aan carcinogenen (ook wel het K-woord).

Kortom, het wordt hoog tijd dat het op zijn minst bespreekbaar wordt om vertegenwoordigers van het scheids- en grensrechtersgilde als vanouds weer uit te kunnen maken voor hi-ha-hondelul.