Minaret

De islamitische cultuur kent een rijke traditie vol merkwaardige gebruiken als het laten staan van je baard, het onverdoofd slachten van schapen, het onderdrukken, raar kleden en afranselen van vrouwen, het opblazen van vliegtuigen, treinen en boeddhistische beelden en, volslagen van de pot gerukt natuurlijk, het niet drinken van alcoholische versnaperingen. Waarom de Zwitsers uiteindelijk het bouwen van torentjes op of bij gebedshuizen hebben uitverkoren als de gewoonte die als eerste verboden moest worden, blijft vooralsnog een raadsel.

Met enig cynisme zou je kunnen stellen dat de Zwitserse moslimbroeders en -zusters er nog genadig van afgekomen zijn; een verbod op boerka’s, hoofddoekjes of de hele moskee in plaats van alleen de minaret had vermoedelijk op een vergelijkbare meerderheidssteun kunnen rekenen, om over de invoering van een Kopflumpensteuer (kopvoddentaks) nog maar te zwijgen. Het zou de Alpenmullahs sieren wanneer zij, in plaats van tot het obligate in brand steken van vlaggen en ambassades, ook al zo’n opmerkelijk vastgeroest ritueel, zouden oproepen tot een collectief schouderophalen omdat het ontbreken van een minaret de geloofsbelijdenis in het geheel niet belemmert. Maar allicht, en met het nodige recht, zien zij in de uitslag van het referendum een gevaarlijk precedent; voor je het weet wordt je achterwerk verboden om te voorkomen dat je het in de tegengestelde richting van Mekka de lucht in werpt.

Dat het minaretverbod regelrecht indruist tegen allerlei nationale wetten en internationale verdragen, lijkt intussen tamelijk evident. Het is dan ook de vraag of de gevestigde orde, die collectief het andere standpunt verdedigde maar uiteindelijk toch met het referendum heeft ingestemd (waar hebben we dat eerder gezien?) überhaupt rekening heeft gehouden met deze uitslag. Ook wat betreft de praktische uitvoerbaarheid en de juridische controle zitten er nogal wat haken en ogen aan het verbod. Wat maakt een minaret immers tot minaret? – daar zou Plato hele boeken over vol hebben kunnen schrijven. Is een minaret alleen een minaret als hij bij een moskee staat? Mogen minaretachtige torens dus bijvoorbeeld nog wel bij, ik noem maar iets, Zwitserse zwembaden of, waarom ook niet, kerken geplaatst worden? Mogen er nog wel bouwsels boven een moskee uittorenen zolang het geen minaretten zijn?

Wat beogen de Zwitsers überhaupt met dit al te opzichtig discriminatoire verbod? Welke onvergeeflijke schade heeft het schrikbarende aantal van vier minaretten (op een totaal van 400.000 moslims) het Zwitserse volk berokkend?

Ach, Maurice de Hond hoeft geen onderzoek te doen om te weten dat in Nederland een vergelijkbaar voorstel waarschijnlijk door een nog veel ruimere meerderheid van de stemmers omarmd zou worden. Wat dat betreft is maar weer eens ondubbelzinnig aangetoond dat de PVV (ook tegen minaretten) vooralsnog een heel stuk minder staatsgevaarlijk is dan D66 (voor referenda).

Speelgoed

Als wetenschapspopulist Robbert Dijkgraaf op televisie een onbegrijpelijk natuurkundig fenomeen probeert uit te leggen en hem wordt gevraagd wat nu eigenlijk het nut is van de kennis die hij vergeefs probeert te delen, dan antwoordt hij steevast dat wetenschap geen direct nut hoeft te hebben, omdat wij mensen simpelweg nieuwsgierig zijn en keer op keer verrast willen worden door de pracht waarmee onze wereld in elkaar zit.

Ik moest daar onwillekeurig aan denken toen ik gisteren las dat een heuse speelgoeddeskundige had ontdekt dat als het om speelgoed gaat, want daar was deze mevrouw natuurlijk zo nieuwsgierig naar, alle kinderen in te delen zijn in slechts vier groepen: rauwers, douwers, schouwers en bouwers. Schitterend. Wat kan wetenschap toch mooi zijn, denk ik dan. Het lijkt natuurlijk toeval, dat het allemaal rijmt, te meer omdat het onderwerp zo met Sinterklaas te maken heeft en de onderzoeksresultaten eind november bekend worden gemaakt – maar goed, wetenschappelijk is er geen speld tussen te krijgen, dus het is nu eenmaal zo.

Wat zal de onderzoekster ook een sensatie gevoeld hebben toen het laatste bedremmelde proefpersoontje, onwetend van zijn belang voor de mensheid, zijn speelgoedopdrachten had voltooid. De rauwers, de douwers en de bouwers waren al onderscheiden; over hun bestaan bestond geen enkele wetenschappelijke twijfel meer. Maar hier diende zich een dromerig jochie aan. Al bijna was de dromer als laatste type onderscheiden, een bloeiende carrière als speelgoeddeskundige in de kiem gesmoord, tot het kind op het laatste moment iets intelligents zei waaruit bleek dat het tijdens het spelen wel degelijk ook had nagedacht. De dromer ontmoette de denker en de schouwer was geboren.

Emotie alom. Prachtig.

Ikzelf herken me helaas niet zo in de onderscheiden typen. Op grond van mijn perverse gedachten had ik mezelf in eerste instantie onder de douwers geschaard, maar deze groep bleek bestemd voor het onderzoekende type, dat speelgoed wil waar iets aan te ontdekken valt. Goocheldozen of ingewikkeld constructiespeelgoed, dat soort werk. Welnu, als er twee soorten speelgoed waren waar ik vroeger niks mee kon, dan waren het wel goocheldozen en ingewikkeld constructiespeelgoed.

Ook het experiment met de bal hielp me niet veel verder. Volgens de onderzoekster kun je aan de omgang met een bal eenvoudig aflezen met welk type kind je te maken hebt – en ik citeer nu even nadrukkelijk om aan te geven dat ik onderstaande niet zelf verzin:

‘Alle typen kunnen met een bal spelen. (..) Ze gebruiken hem alleen anders. De rauwer gaat ermee bewegen, terwijl de douwer uitprobeert wat er allemaal met een bal mogelijk is. Voor een rauwer koop je een bal waarmee je goed kunt voetballen, terwijl je voor de douwer een bijzondere bal koopt. En voor een bouwer koop je gewoon veel ballen.’

Wat een schouwer met een bal doet, is niet bekend; waarschijnlijk kijkt hij er een kwartier naar en zegt dan: ‘Ceci n’est pas une pipe’. Hoe dan ook: ik had vroeger veel ballen, ik bewoog er veel mee en onderzocht ze regelmatig op hun mogelijkheden.

Eerlijk gezegd vind ik vier groepen in onze pluriforme maatschappij ook nogal aan de karige kant. Kijk om je heen en je ziet grofgebekte jouwers, altijd maar vragen stellende bauwers, smakeloze fransbauers, depressieve rouwers, humorloze flauwers, agressieve BENG!BENG!POW!POW!-ers en vooral een heleboel ik-wil-veel-en-ik-wil-het-nouers. Mezelf zie ik nog het meest als een herkauwer, niet geheel toevallig ook het prettigste type kind voor een ouder. Ik kreeg op mijn vierde een schaakbord en daar speel ik nog steeds mee.

De schouwer in mij vraagt zich tot slot nog wel af wat in vredesnaam een rauwer is en waar dit woord vandaan komt.

Hands

In een speciaal ingelaste uitzending toont Zembla komende week aan dat de Argentijnse doelen ten tijde van het WK in 1978 veel te smal waren. Vooral aan de rechterkant (voor de kijkers links) ontbrak ten minste vijf centimeter. Rensenbrink schoot helemaal niet op de paal, het was een glaszuiver doelpunt. Minister Hirsch Ballin dringt er nu bij de FIFA op aan dat de wedstrijd overgespeeld wordt. Betrouwbare Bronnen rond het koningshuis, die zich voordeden als onderhoudsmonteur, melden intussen dat de spanningen in het huwelijk tussen Willem-Alexander en Maxima hoog zijn opgelopen.

Argentinië hoeft de kwartfinale van het WK 1986 tegen Engeland niet over te spelen. De Engelsen berusten in het feit dat zij zijn uitgeschakeld door de hand van God. Wel zullen de Britten hoogstwaarschijnlijk op moeten draven voor een replay van de WK-finale van 1966 tegen Duitsland, nu definitief aangetoond is dat de bal niet over de lijn is geweest bij de 3-2 van Geoff Hurst. Beide teams kunnen op dit moment nog beschikken over zeven levende spelers, al bestaat de vrees dat dit aantal na afloop van de wedstrijd nog lager zal zijn. De wereldvoetbalbond onderzoekt het voorstel van de Duitsers om bij een vrije trap van de tegenstander met de kisten van de overleden spelers een muur te mogen bouwen. “Wij hebben een traditie van muren”, aldus een woordvoerder van de Duitse bond. “Bij deze speciale gelegenheid willen we er graag weer eens een kunnen bouwen.” De Britse bond heeft al protest aangekondigd “omdat Duitsers nu eenmaal belachelijk grote doodskisten hebben”.

Of Nederland verder nog aan de bak moet, is twijfelachtig. De Ieren overwegen alsnog een protest tegen het doelpunt van Kieft op het EK ’88, waarbij Van Basten volgens de toen geldende regels buitenspel stond. “En anders moet het doelpunt wel op esthetische gronden worden afgekeurd”, aldus een Ier die anoniem wil blijven. Toch maakt het protest van Ierland weinig kans, omdat het hier ‘slechts’ een poulewedstrijd betrof.

Alsof de eerste wedstrijd van een competitie niet net zo bepalend is voor het eindresultaat als de laatste! In dit soort willekeur schuilt de kiem voor het echte onrecht.

Wie herinnert zich niet het beruchte doelpunt in de achtste minuut van de blessuretijd in de competitiewedstrijd SV Leibnitz – Wattenscheid ’09 in het najaar van 1932? Als die grensrechter toen wat beter uit zijn doppen had gekeken, had de wereldgeschiedenis waarschijnlijk een hele andere loop genomen.

Ik zeg: overspelen die handel! Wie weet in wat voor prachtwereld we dan over tachtig jaar leven.

Kilometerprijs

Camiel Eurlings heeft deze week het begrip ‘belastingparadijs’ van een geheel nieuwe dimensie voorzien. De immer goedlachse Limburger zal spoorslags de geschiedenis ingaan als de eerste minister die een belastingwet door de Tweede Kamer loodste die uitsluitend winnaars kent. Want ga maar na: de automobilist, de staatskas, het milieu én het volledige politieke spectrum dat opkomt voor de belangen van automobilist, staatskas of milieu, kortom: iedereen, is erbij gebaat wanneer we straks onze gereisde kilometertjes per stuk gaan afrekenen.

Het succes van Eurlings is geheel en al toe te schrijven aan de wijze waarop hij zijn voorstel presenteerde. Nare woorden als rekeningrijden en kilometerheffing verdrong hij naar de achtergrond; die associeer je immers vooral met betalen. Eurlings had het bij voorkeur over de kilometerprijs, alsof we na het debacle met de Staatsloterij nu eindelijk met zijn allen iets gaan winnen. En inderdaad: 59% van de automobilisten zou er in het nieuwe plan op vooruitgaan.

De redenering gaat ongeveer als volgt: vijftien jaar lang is de indruk gewekt dat het rekeningrijden enorm duur zou worden. Dat is dus goed voor de staatskas. Omdat het zo duur is, zullen automobilisten vaker hun auto laten staan. Dat is goed voor het milieu en de files zullen verdwijnen. Bovendien betaalt de burger minder, omdat hij minder rijdt. Kortom, iedereen blij.

:)

Nu deze redenering ontrafeld is, kan de boomerang zijn terugtocht aanvangen. Automobilisten betalen straks minder, dus dat is slecht voor de staatskas. Omdat het toch zo goedkoop is, zullen automobilisten meer gaan rijden. Dat is slecht voor het milieu en de files zullen weer toenemen. In de file sta je stil en rijd je geen kilometers, dus dat is nog slechter voor de staatskas. De prijs per kilometer zal exponentieel moeten toenemen om Nederland van de ondergang te redden.

:(

Ik had sowieso al mijn bedenkingen bij die 59%. In de week dat bekend werd dat we de recessie achter ons hebben gelaten en we er dus volgend jaar allemaal weer op vooruitgaan, is het een veeg teken wanneer van de automobilisten nog maar 59% een rooskleurige toekomst tegemoet kan zien. Afgezien daarvan wantrouw ik percentages van 59% bij voorbaat. Je kunt het ook gewoon afmaken op 60%, maar dan zou het een zweem van nattevingerwerk krijgen, terwijl 59% vertrouwen zou moeten wekken, alsof het alleen het resultaat kan zijn van gedegen onafhankelijk onderzoek.

Ammehoela, Eurlings. In het voorstel is sprake van een tarief dat varieert van 3 eurlingscent per kilometer (een soort introductiekorting, ook al zo’n handige marketingtruc) tot wel 6,7 eurlingscent per kilometer. Op welk scenario die 59% gebaseerd is, wordt nergens duidelijk. Los daarvan rekent het kabinet erop dat het autogebruik in de komende tien jaar met 15% daalt. Met andere woorden: om het autogebruik terug te dringen, voeren ze een belasting op veelvuldig autogebruik in, en ze gaan er vervolgens van uit dat deze doelstelling gerealiseerd wordt als het autogebruik voor de gemiddelde burger goedkoper wordt.

Uh huh.

Intussen lees je dan dat de provincies allerlei belastinginkomsten mislopen en nu een vrijbrief hebben gekregen om dit te compenseren met nieuwe belastingen. Dat gaat ons dus geld kosten, maar het heeft uiteraard geen gevolgen voor de 59%, want een belasting op, laten we zeggen, tatoeages of boekenbezit heeft natuurlijk geen invloed op je automobilist-zijn.

Ik kan intussen niet wachten tot de PVV na de Provinciale Staten-verkiezingen weer onnavolgbare belastingvoorstellen kan indienen in ons kilometerparadijsje.

Rotkop (17 en 18)

De verzoekjes stromen weer binnen. Feitelijk komt het erop neer dat ik deze rubriek heb terwijl ik zelf nooit een rotkop zie, en dat u driftig op zoek gaat en mij nederig op de hoogte stelt zodra u iets gevonden heeft. Dat geeft een machtig gevoel, alsof ik er een dik belegde boterham mee zou kunnen verdienen.

Dat (die belegde boterham) brengt me op de eerste rotkop van vandaag, ingezonden door Baarsje. Een weinig tactvolle combinatie van rotkop en rotfoto levert, tsja, een rotgezicht op:

Wat een rotgezicht

De tweede is ingestuurd door Lijn en toont ragfijn het gevoel voor humor van de gemiddelde persoon die in Joop.nl een aanwinst voor het publieke debat ziet.

Wat een rotkop

Ik vond die Vegan Streaker zelf trouwens ook al een behoorlijke rotkop hebben.

Plankenkoorts

Bij gebrek aan een kind(erwens) draag ik zorg voor een bibliotheek. Het maatschappelijk belang daarvan wordt nog wel eens onderschat, terwijl de superioriteit van de bibliotheek boven het kind wat mij betreft onbetwistbaar is. Bibliotheken zijn geen jengelaars maar gedijen juist bij stilte, ze hoeven nooit in een bakfiets en ze zullen ook niet zo snel de Mexicaanse griep krijgen – om slechts enkele voorbeelden te noemen.

Een overeenkomst tussen beide is dat ze groeien als kool en klauwen met geld kosten, maar op iets als een boekenbijslag van overheidswege hoef ik niet te rekenen.

Mijn bibliotheek is nu een jaar of vijftien, in allerlei opzichten een lastige leeftijd. Bibliotheken groeien over het algemeen vrij constant, maar rond de puberteit bereikt die groei op enig moment een natuurlijk plafond. De bibliotheek krijgt een grote mond en eist zijn plek op in het huishouden. Eens zo strak in het vel zijn nu puisten met boeken te zien die niet meer op een staanplaats kunnen rekenen; op de omslagen daalt donzig stof neer.

In de bibliopedagogiek wordt in zo’n geval slechts één remedie serieus genomen: planken erbij.

Laat er geen misverstand over bestaan: mijn bibliotheek heeft een keurige opvoeding genoten. Misschien wat aan de strenge kant, maar daar is nog nooit een boekenverzameling slechter van geworden. Nederlands en Engels staan netjes gescheiden, per taal keurig gesorteerd op auteur en daarbinnen, hoe onvoorstelbaar irritant uitgevers ook om kunnen gaan met het oeuvre van sommige schrijvers door bij ieder nieuw werk een ander formaat te bedenken, gewoon zoals dat hoort op publicatiedatum.

De sectie Engels was in huize Zero sinds enige tijd nauwelijks meer te handhaven. Met twee extra planken, goed voor zo’n zestig boeken, moest ik mijn bibliotheek wel weer enige tijd in bedwang kunnen houden. Een beperkte groeispurt, die zich echter uitsluitend in de breedte, en in het geheel niet in de hoogte zou moeten voltrekken. En daar begon de schoen, of liever gezegd: begonnen enkele boeken, te wringen.

De ellende begon al bij Paul Auster, wiens nieuwe, overigens zeer aan te raden roman Invisible alleen nog maar verkrijgbaar is in het hardcover formaat dat net een nanometer te hoog is om de plankjes één gaatje hoger te kunnen plaatsen. Maar ook Roddy Doyle, Kazuo Ishiguro, David Mitchell, Zadie Smith en Tom Wolfe lagen of zaten verspreid over de kast dwars; voldoende plek om te staan hadden ze in ieder geval niet meer.

Het gevolg was hartverscheurend: om voldoende ruimte te creëren moest er én een plank voor de hoogste boeken komen, en omdat er daardoor onderin te weinig ruimte overbleef ook een voor de kleinste. Er zijn schrijvers bij wier oeuvre meedogenloos in drieën uiteengereten werd. Het voelde alsof vijftien jaar opvoeding zonder erbarmen door de plee gespoeld werd, terwijl onduidelijk is of een opvoeding eigenlijk wel in het riool terecht mag komen. Met lede ogen en pijn in het hart heb ik het aan moeten zien.

Een dag later moet ik wel toegeven dat mijn bibliotheek uiterlijk onmiskenbaar een stuk aantrekkelijker, ja, zeg maar gerust volwassener is geworden.

Ach ja. Kleine bibliotheekjes worden groot.

Risicoloos

Als ik de verhalen mag geloven, hebben inmiddels een kleine 63 miljoen Nederlanders de Mexicaanse griep onder de leden gehad, en zijn daaraan al 22, grotendeels voordien al doodzieke patiënten bezweken. Om te voorkomen dat dit schrikbarende aantal nog verder zal stijgen, worden nu nog eens een slordige 42 miljoen Nederlanders gevaccineerd omdat ze tot een zogenaamde risicogroep behoren. Minister Klink staart zich hierbij echter volkomen blind op de zwakkeren in onze samenleving. We zien hier de machtswellusteling in optima forma: zich opstellend als de redder van het volk, maar intussen mogen degenen die een potentiële bedreiging vormen voor zijn positie er dood bij neervallen.

Van zijn ambtsgenoot van Financiën had ik toch een iets pragmatischer houding verwacht, en niet alleen vanwege de alleszins plausibele redenering dat het vaccin juist bij de zwakkeren wellicht veel minder goed aanslaat. Waarom zou Bos’ mantra van de sterkste schouders die de zwaarste lasten moeten dragen ook op de Mexicaanse griep van toepassing moeten zijn? In zijn strijd tegen de crisis zou je de groepen die nu als risicogroep worden aangeduid juist als kansgroepen moeten zien.

Wat is immers het risico van bejaarden die massaal het loodje leggen? Nou, bijvoorbeeld minder vergrijzing, minder uitkeringen, minder wachtlijsten, minder druk op ons zorgstelsel en minder geweeklaag over te weinig handen aan het bed. En misschien wel dat we met terugwerkende kracht alsnog niet door hoeven te werken tot ons 67e. Als de onbeschermde kracht van de natie die leeftijd onder de huidige omstandigheden überhaupt haalt natuurlijk.

Ook mensen met een zwakke gezondheid krijgen een prik, terwijl hun arbeidsparticipatie benedengemiddeld is. Je kunt je afvragen of het terecht is om hun voorrang te verlenen boven kerngezonde harde werkers als straks ook de pleuris nog eens uitbreekt. En zo is er op iedere risicogroep wel iets aan te merken.

Feyenoord-aanhangers bijvoorbeeld. Geen twijfel over mogelijk dat zij onder alle omstandigheden als risicogroep aangemerkt dienen te worden, maar om die mensachtigen nu extra te gaan beschermen tegen een enge ziekte? Ik weet het niet.
Peuters vaccineren? Ik zag eerder een kans om de bakfietsenindustrie een flinke dreun toe te brengen.
De ouders van die kinderen? Ik zeg: eigen schuld.
Werknemers in de medische sector? De hoofdschuldigen voor alle ellende, aangezien zij bovenstaande groepen uit alle macht in leven houden.

Maar goed, daar zit je dan met je goede gedrag: in geen enkele risicogroep. Het zal weliswaar niet lang duren voordat de mensen die in geen enkele risicogroep vallen vanzelf een risicogroep worden omdat zij straks als enigen niet gevaccineerd zijn, maar tot die tijd voel je je toch behoorlijk buitengesloten. Een beetje zoals die Q-koortspatiënten die nu maar met hun laatste krachten een vereniging hebben opgericht omdat hun bestaan volkomen genegeerd wordt.

Als risicoloze zou ik ook wel behoefte hebben aan zo’n vereniging voor lotgenoten. Je gaat op een gegeven moment toch op zoek naar je eigen risicogroep. Ik heb er uiteindelijk een gevonden: die van mensen die die prik eigenlijk helemaal niet willen. Maar of dat zoveel indruk zal maken op de dokter? ‘Dokter, ik wil dat vaccin niet, dus wilt u mij vaccineren?’