Waardig

De ellende begon een paar jaar geleden met Expeditie Robinson. Als een deelnemer daar weigerde om de godganse dag stokjes tegen elkaar aan te wrijven of urenlang met stenen in de weer te gaan, en in plaats daarvan gewoon de camera- of geluidsman om een aansteker vroeg, werd hij verguisd als ‘niet robinsonwaardig’. Degene die na een wekenlang dieet van boomschors en zeealg (nauwelijks eetwaardig) een bakje rijst had gewonnen en dit niet wenste te delen met zijn tegenspelers idem dito: niet robinsonwaardig.

Sindsdien moet alles maar waardig zijn. Van de uitvaart van een in Uruzgan omgekomen soldaat kan ik me daarbij nog iets voorstellen. Lastiger wordt het al wanneer de atleticowaardigheid (spatie-alert!) van John Heitinga in twijfel wordt getrokken; ik bedoel, die man draagt bij aan het afwenden van een Nederland onwaardige nederlaag. Maar het is toch echt de onuitputtelijke brij aan tv-formats die op dit gebied de kroon spant – en de deelnemers dicteren bovendien dat iets zelden onwaardig is, maar bijna altijd niet huppeldepupwaardig, let maar eens op. Claire was als laatkomer in de Gouden Kooi niet kooiwaardig, iemand met twee linkerhanden is niet blokwaardig, en ik voeg daar op persoonlijke noot graag aan toe dat Jörgen Raymann tijdens de Democratische Conventie bepaald niet obamawaardig was.

Het laatste in de oneindige reeks is het RTL-programma Wie is de chef?. Een programma met een tamelijk cryptische formule, want vier mensen, van wie er maar één een echte chef-kok is, gaan voor elkaar koken en de anderen moeten dan raden wie dat is. De echte chef krijgt van de programmamakers opdracht om zich anders voor te doen dan hij is, terwijl de amateurs hun uiterste best doen om een chef te lijken – behalve dan dat ze niet mogen doen alsof ze in het dagelijks leven chef zijn, want de echte chef moet al doen alsof hij boekhouder is, of zoiets. Kortom, een formule die aan alle kanten rammelt, maar u begrijpt natuurlijk allang dat in de gebruikelijke beschouwingen van de kandidaten waarmee het programma gelardeerd wordt slechts één vraag centraal staat: is het menu dat de kok van de dag heeft geserveerd wel chefwaardig?

“Ja, het dessert van Martin zou best chefwaardig kunnen zijn. Maar de glazen en het bestek waren echt heel vies en dat zul je bij een chef nooit zien. Nee, dat is echt niet chefwaardig.”

Waardig. Het zou me niets verbazen dat onafhankelijk universiteitwaardig of zelfs mauricedehondwaardig onderzoek zou aantonen dat Jan Peter Balkenende (niet ministerpresidentwaardig) een doorslaggevende rol heeft gespeeld in het beklijven van dit niet nederlandsetaalwaardige achtervoegsel.

U vraagt zich intussen misschien af hoe ik dat allemaal weet, van al die tv-programma’s. Maar dat houd ik toch liever voor me; dat zou niet zerowaardig zijn om bekend te maken. Sterker nog, laat ik de stoute schoenen gewoon eens aantrekken, dat zou zelfs uitermate zeroonwaardig zijn.

Chrome

‘Obama’ had eigenlijk prima door kunnen gaan voor een nieuwe Google-dienst, bijvoorbeeld als Picasa voor zwart-witfoto’s of voor het digitaal beheren van al je beloften. Het heeft er echter alle schijn van dat de mediagigant niet meedoet in de strijd om het Amerikaanse presidentschap. Wel heeft het bedrijf op weg naar de wereldheerschappij een eigen internetbrowser gelanceerd. Ongetwijfeld is het een kwestie van tijd voor we allemaal Chrome gebruiken.

Op vakantie in een oord waar de drinkwatervoorziening niet optimaal is, verbaas ik me altijd over het overweldigende aanbod van mineraalwater in de supermarkt. Bronwater is voor mij gewoon bronwater, en ongevoelig voor de schoonheid van etiketten laat ik mij dan slechts leiden door de prijs. Ongetwijfeld zullen ze er zijn, de smaakverschillen, maar als ik ‘s ochtends een kop koffie wil zetten ga ik me daar niet druk over maken.

Ongeveer net zo denk ik over de zich al jaren voortslepende browseroorlog, die de slagvelden in Irak en Afghanistan doet verbleken. Ik gebruik een browser om websites te bekijken, en ik doe dat in Firefox omdat de makers daarvan op een goed moment tabbed browsing hadden uitgevonden (ja, reazeurt u maar dat er anderen waren die eerder waren) en omdat hun bladwijzerbalk met rss-feeds wel handig was. Inmiddels heeft Internet Explorer dat ook allemaal, en kun je je afvragen wat een nieuwe browser dan allemaal kan wat die oude niet kunnen.

Nou, hij is waanzinnig snel!, roepen de Google-adepten uitgelaten. Een grappig argument. Chrome laadt de pagina’s (vooral die van Google) misschien een nanoseconde sneller, maar men vergeet dat men de software eerst moet downloaden via een per definitie nodeloos trage andere browser, dan nog eens moet installeren en vervolgens een jaar of honderd Chrome moet gebruiken eer de verloren tijd is ingehaald.

Voor de snelheid hoef je het dus niet te doen, en afgezien daarvan kan Chrome natuurlijk niets wat Firefox of Internet Explorer niet ook allang kunnen – zoals een Mac ook niks kan wat een PC niet kan, behalve dan misschien onnodig duur zijn. Ja maar Chrome is nog niet af, klinkt het dan nog; het is nog maar een bètaversie. Maar dat trucje kennen we al langer van Google, dat bijvoorbeeld ook Gmail, Google Documents en Google Agenda tot in de eeuwigheid bèta blijft noemen zodat fouten gepermitteerd zijn.

Intussen betekent iedere nieuwe browser (of zelfs maar browserversie) feitelijk een nieuw probleem, en dus per saldo meer sites die niet in alle browsers naar behoren werken. Werkmatig moet ik nog wel eens een nieuwe website testen, en het heet dan steevast dat het overal werkt, behalve in dat verfoeide Internet Explorer. Tsja, je zou als ontwerper natuurlijk ook eens met de marktleider kunnen beginnen en dan eens verder kunnen kijken of er bij de kleine spelers misschien problemen optreden – maar dat is vies, dat doe je niet.

Microsoft is vies, en daarom slikken we liever de reclameblokken die zich in Gmail aanpassen aan de teksten die we versturen en ontvangen dan dat we Internet Explorer 8 uitproberen om de advertenties van Google te blokkeren – want dat dreigende onheil is natuurlijk de ware verklaring achter de overhaaste lancering van Chrome.

Maar goed, als er één speler is die Microsoft definitief naar de vuilnisbelt kan verwijzen, dan is het Google wel. Wat we ermee winnen? Als je het mij vraagt niet meer dan een pakketje schroot met een dun laagje chroom.

Uitgelezen (55)

Schrijvers die hun boek eerst in vertaling laten verschijnen en daarna pas in het origineel, moeten daar eens mee ophouden. Mensen die een boek liever in hun moedertaal lezen terwijl ze de taal van het origineel prima begrijpen, zoals de meeste Nederlanders het Engels, zijn aartslui – en daar is op zich helemaal niks mis mee, maar het gaat wat ver om die gemakzucht te gaan belonen.

Het zijn ook meestal de mindere werken waarbij de vertaling voorrang krijgt; de boeken met andere woorden die een steuntje in de rug van een slimme marketingcampagne, want daar hebben we het uiteindelijk over, wel kunnen gebruiken. We herinneren ons allemaal nog de rij die in 2002 van Schin op Geul tot aan de kassa’s van boekhandel Scheltema in Amsterdam reikte omdat daar de langverwachte tweede roman van Donna Tartt gepresenteerd werd; ik zou toch zeggen dat die mensen van een koude kermis zijn thuisgekomen.

Het onlangs verschenen Man in the Dark van Paul Auster, dat al maanden in de winkels lag als Man in het duister, is helaas niet de uitzondering die de regel bevestigt. En dat terwijl het boek nog zo aardig begint. De 72-jarige August Brill, woonachtig bij dochter en kleindochter, bedenkt als hij de slaap niet kan vatten een verhaal over een parallel Amerika waarin de Twin Towers nog rechtovereind staan en Bush nooit tegen Saddam Hoessein ten strijde is getrokken. Maar het is er wel 2007, en in plaats van een oorlog in Irak is er in Amerika zelf een burgeroorlog gaande. Owen Brick, de hoofdpersoon van verteller Brill, ontwaakt er tot zijn eigen verbazing op de bodem van een put en heeft geen benul van wat er gaande is; hij is afkomstig uit de wereld waarin 9/11 wel heeft plaatsgevonden.

In het begin vraag je je af waarom die Brill heel de tijd zo hinderlijk aanwezig moet zijn als verteller; zo’n beginneling is Auster toch ook weer niet dat hij de worsteling van het schrijverschap zo opzichtig in zijn werk hoeft te verweven. De prominente rol van de verteller lijkt echter verklaard te worden zodra duidelijk is wat Owen Bricks opdracht is: August Brill te vermoorden.

Een personage in een parallelle wereld die de bedenker daarvan moet omleggen om terug te kunnen keren naar de werkelijkheid: een klassiek Murakamiaans tafereel, zou je zeggen, alleen dan gepolitiseerd – en als Auster die indruk had willen vermijden had hij Brick niet in een put maar bijvoorbeeld in een grot zijn intrede laten doen.

Maar wat doet het ertoe: er is sprake van een intrigerend plot, waarvan je je afvraagt hoe de schrijver – en dat is dan Paul Auster in dit geval – zich er in vredesnaam uit gaat redden. Helaas heeft hij voor een nogal rigoureuze oplossing gekozen door de verhaallijn met Owen Brick plotseling de nek om te draaien. Vervolgens blijkt ook waarom de situatie waarin Brill zich bevindt – hij heeft zijn vrouw verloren en zijn dochter hun respectievelijke mannen – in het begin zo veel aandacht heeft gekregen: om er de rest van de nacht eens uitvoerig over te gaan babbelen. De roman verandert compleet van karakter, wat leuk kan uitpakken, maar in dit geval vraag je je slechts beteuterd af waarom dat veel interessantere verhaal zo abrupt geëindigd is.

Jammer jammer jammer; hier had een stuk meer in gezeten.

Verantwoording (2)

Mijn eerste economische actie vlak bij het ouderlijk huis was een inbraak in de portemonnee van een van mijn ouders, in 1985.

Op de keukentafel lag een kwartje van 25 cent, zoals je die destijds nog had. De glinstering van de lage novemberzon in het munststuk trok mijn aandacht. Onbewaakt geld, met niemand in de buurt. Even werd ik afgeleid door de gedachte dat het misschien een lokaas betrof, en mijn ouders probeerden te achterhalen of ze een braaf kind hadden opgevoed dan wel een kleptomaan, maar aangezien ik zeker wist dat ze overtuigd waren van het eerste, verdween het kwartje alras in mijn broekzak.

Diezelfde middag spendeerde ik de onrechtmatig verkregen 25 cent aan voetbalplaatjes. De sensatie van de illegale aankoop verdween als sneeuw voor de zon toen na het verwijderen van de verpakking de droge blik van Jan van Grinsven mij aanstaarde vanaf het plaatje.

Dat moest ik weer hebben: had ik eindelijk ook eens iets gepikt, kreeg ik er Jan van Grinsven voor terug. Jan van Grinsven, keeper van Den Bosch, beter bekend als de Sliert van de Vliert. Eerder dat jaar had hij nog een doelpunt gemaakt, en in 1986 zou hij helemaal onsterfelijk worden door bij Marco van Bastens omhaal onovertroffen aan de grond genageld te staan. Maar ondanks dat was zijn waarde op de transfermarkt ver beneden de 25 cent die ik voor zijn plaatje had neergeteld. Hij had er in het nog maar een paar maanden oude seizoen alweer een stuk of veertig om zijn oren gehad.

Bovendien had ik Jan van Grinsven al vier keer.”

Tsja, achteraf kan ik wel inzien dat het tamelijk naïef was om dit op de achterflap van mijn nog te verschijnen autobiografie te plaatsen. Ik heb spijt van die actie, en nu het delict na bijna 23 jaar verjaard is, vond ik de tijd gekomen om verantwoording af te leggen, om ook de problematiek van de jeugdcriminaliteit bespreekbaar maken. Zodat we het debat kunnen voeren en met zijn allen kunnen zeggen: zo moet het dus niet.

Ja, ik ben erg geschrokken van de heftige reacties. Mijn ouders soebatten nu alleen nog over de vraag wiens kwartje het nou eigenlijk was, maar zodra ze daar uit zijn zal een van hen mij waarschijnlijk niet langer als kind erkennen.

Nee, het valt voorwaar niet mee om verantwoording af te leggen. Ik sluit dan ook niet uit dat er nog meer koppen zullen rollen.

Verantwoording

Als een enkele werknemer van een kleine afdeling voor langere tijd ziek is, kan deze in zijn eentje de verzuimcijfers van de hele afdeling behoorlijk negatief beïnvloeden, om niet te zeggen verpesten. In het jaarverslag haast de redacteur van dienst zich dan gewoontegetrouw om de logische verklaring van het vertekende beeld omstandig uit de doeken te doen, vaak nog met de bangelijke toevoeging dat de stijging van het verzuim uiteraard de aandacht van het management heeft. De naïeve veronderstelling is dat het afleggen van verantwoording meer inhoudt dan het uitbraken kille cijfertjes.

Ik heb altijd gedacht dat ik blij zou mogen zijn met een eigen bedrijf dat ieder jaar minder winst zou maken, omdat het dan altijd winst zou maken en dus nooit failliet zou gaan. Daarom heb ik ook geen eigen bedrijf, want inmiddels heb ik begrepen dat ‘minder winst’ in de volksmond ook wel ‘verlies’ heet.

Afgelopen weekend werd bekend dat er in het eerste halfjaar van 2008 in Nederland al zevenduizend asielaanvragen zijn gedaan. Ik schrik altijd enorm van die aantallen – van hoe laag ze zijn, wel te verstaan. Hoe een groep die nog geen 0,05% van de totale bevolking uitmaakt het nieuws zo kan beheersen, terwijl ze nog niets hebben gedaan en we ze in gevangenissen stoppen die nog licht ontvlambaar zijn ook. Zevenduizend families Tokkie die onbeschermd hun levenssappen uitwisselen: dat lijkt me meer reden tot zorg.

Alsof de mensen in kwestie nog niet genoeg zelfmoordaanslagen hebben meegemaakt, spreekt de Telegraaf niettemin over een asielexplosie met het generaal pardon als ontstekingsmechanisme, daarbij overigens niet gehinderd door het feit dat het aantal asielaanvragen tien jaar geleden nog altijd meer dan drie keer zo hoog lag.

Wie de cijfers iets langer bestudeert, ziet dat zo’n tweederde van alle aanvragen gedaan is door mensen uit Irak en Somalië. Zou alles pais en vree zijn in die twee landen, dan was er van een stijging van het aantal asielzoekers ineens in het geheel geen sprake meer.

En dat is toch frappant. Een paar jaar geleden zijn er enkele politici geweest die het goed toescheen om het Iraakse volk te bevrijden van Saddam Hoessein. Zo zijn we meegesleurd in een miljardenverslindende operatie, waarin Tomahawk-raketten van 1,3 miljoen dollar per stuk werden afgevuurd als was het oudjaarsavond. Die waren dan niet van ons, maar toch, we hebben ons niet onbetuigd gelaten. We hebben er een bende van gemaakt en nu schreeuwen de grootste voorstanders van de oorlog moord en brand om een paar duizend vluchtelingen die ons 50 miljoen euro gaan kosten.

Over verantwoording afleggen gesproken.