Olympisch

Ik ben een voetballiefhebber, en ik vind ook dat iedere man die na een wedstrijd als Nederland-Frankrijk op het EK vol trots liegt ‘O, was er een wedstrijd dan?’ direct onteigend moet worden, maar dat het voetbal op de Olympische Spelen een marginale rol vervult, vind ik eigenlijk wel mooi. Sowieso zijn sommige sporten dezer weken plotseling bloedstollend in plaats van zaaddodend, maar voor mij zijn de Spelen toch altijd eerst en vooral het feest van de ‘pure’ sporten, waarin de atleet op zichzelf is aangewezen en toevalligheden als graspolletjes en slechte scheidsrechters goeddeels uitgesloten zijn.

Welbeschouwd zijn de regels van het voetbal zo arbitrair als maar zijn kan: je hebt al een andere sport als je buitenspel afschaft, het doel vervangt door twee trainingsbroeken op de grond (zoals doordeweeks in het park), de inworp met de knie laat nemen of de spelers op klompen laat rondrennen. Bij de atletieknummers is dat doorgaans een stuk helderder: je hebt een mens, er is een afstand en wie die afstand het snelst overbrugt, heeft gewonnen. Of: je krijgt een kogel, discus, speer of dwerg in handen, en wie hem het verst gooit, heeft goud. Een man, een zandbak, en zie maar hoe ver je in die bak terecht kunt komen.

Bij het zwemmen is dat al een stuk minder. Het idee is best aardig: net als bij atletiek gaat het erom dat je zo snel mogelijk bij de finish bent, alleen moet je verplicht door het water. Leuk bedacht, maar dan krijg je schoolslag, vlinderslag, rugslag, vrije slag en dan ook nog eens wisselslag. Waarom? Laat ze zelf lekker uitmaken hoe ze door dat water gaan! Bij atletiek heb je toch ook niet de 100 meter kruipen, hinkelen, radslag, vrije loop en wisselloop? Ja, je hebt snelwandelen, maar dat is een verhaal apart.

Nee, al die disciplines bij zwemmen plus dan nog eens al die verschillende afstanden zijn er alleen maar om meer medailles te kunnen verdelen; probeer als hockeyer maar eens acht keer goud op dezelfde Spelen te halen. En er klopt nog iets niet aan dat zwemmen; door al die nieuwe pakken is het niet meer alleen de sporter, maar ook de fabrikant die de prestatie neerzet. Dus hup, uit met al die kledij en gewoon lekker zwemmen met zijn allen. Veel eerlijker. Of het het zwemmen als kijksport voor de mannen zal bevorderen betwijfel ik, maar de dames zullen ongetwijfeld niet klagen.

Datzelfde gelazer met voortschrijdende techniek heb je natuurlijk ook bij een quasi-rechttoe-rechtaan-sport als wielrennen. O wee als zo’n sporter doping gebruikt, maar als hij een fiets van zijn sponsor krijgt waardoor hij veel harder gaat, is er ineens niks aan de hand.

Nee, als een sporter dan toch een hulpmiddel mag gebruiken om van A naar B te komen, dan vind ik ook dat hij zelf zijn vervoermiddel moet maken en niet door externen geholpen mag worden. En dus pleit ik ervoor om alle disciplines van Te land, ter zee en in de lucht als olympische sport te erkennen; daar zijn de atleten tenminste zelf verantwoordelijk voor hun creaties. Ik bedoel, waarom nog zo’n wegwedstrijd wielrennen als er ook Fiets ‘m erin bestaat? Dat is toch veel eerlijker? En moet je eens opletten wat dat in de medaillespiegel met Nederland doet.

Cynisch

Deze week bereikte ons het wereldschokkende bericht dat de Nederlandse bevolking steeds cynischer is over de politiek. Op de stelling dat ministers en staatssecretarissen vooral op hun eigen belang uit zijn, reageert maar liefst 42% instemmend; dertig jaar geleden, toen Maurice de Hond nog maar een klein keffertje was, was dat zeker tien procent minder. Kennelijk is het net als met het weer: net zoals het verbreken van alle hitterecords pas na dertig jaar een klimaatverandering mag heten, zo leidt een populistische golf van enkele jaren na dertig jaar pas officieel tot erkenning van de toegenomen omvang van de onderbuik.

Maar: 42%! Dat betekent dat 58% niet denkt dat politici niet alleen aan zichzelf denken! Dat zijn vast niet dezelfde mensen die tegen de Europese grondwet hebben gestemd; zo’n belachelijk hoog percentage kan alleen behaald zijn in een door (s)linkse staatsprogaganda gefinancierd onderzoek.

Afgezien van de laatste opmerking wil ik verder niet cynisch zijn, maar van cynisme lijkt me eigenlijk in het geheel geen sprake. De onderzoeksresultaten geven misschien aanleiding om te stellen dat de Nederlandse bevolking steeds rancuneuzer, wantrouwender, dommer, naïever, brutaler, respectlozer of overmoediger wordt, maar cynisme is een niet vanzelfsprekende gave waar enige autoriteit voor vereist is.

Je kunt kankeren uit de grond van je hart wat je wilt, maar het blijft bij een jammerlijk geweeklaag, een brommend gemopper, zolang je geen verstand van zaken hebt. Cynisch wordt het pas als je weet waar je het over hebt, en dan is het direct een monsterlijk middel om je gelijk te halen. Tot die tijd kan iets hooguit ‘cynisch bedoeld’ zijn, wat in feite een contradictio in terminis is.

Het moge duidelijk zijn dat in het onderhavige geval van enige autoriteit geen enkele sprake kan zijn. Hier spreekt de rabiate kleinburger met zijn door ressentiment verziekte gemoedsleven, die altijd hunkert naar het gewelddadige – zoals Jan Hein Donner, grootmeester in het cynisme, het ooit onovertroffen verwoordde, ook al verwees hij daarbij naar een tamelijk onschuldige schaker.

‘Cynisch’ komt van het Grieks voor (Maurice de) Hond, misschien is dat het.

Het fraaiste staaltje (onbedoeld) cynisme zat hem in de staart van bericht, waar terloops werd opgemerkt dat “een overgrote meerderheid van de bevolking [lees: de huizenbezitter] vindt dat hypotheekrenteaftrek niet moet worden afgeschaft”. Maar politici zijn egoïsten.

Tsja.

Vertigo

Van alle predikaten die je op een mens kunt plakken, en dat zijn er nogal wat, is ‘avontuurlijk’ op ondergetekende wel zo’n beetje het minst van toepassing. Ik had dan ook beter moeten weten toen de reisgids met veel gevoel voor understatement de alternatieve route als ‘more adventurous’ aanprees. Aan de andere kant: de vreugdeloze gelaatsuitdrukkingen van de medepassagiers in het vliegtuig zaten nog vers in het geheugen (de Bever Zwerfsport leek goede zaken gedaan te hebben), en na drie dagen wees een eerste calculatie van de gemiddelde toeristenleeftijd richting de 50, mijzelf meegerekend, en zo massaal is het toerisme op Madeira nou ook weer niet.

Avontuur is een relatief begrip, wil ik maar zeggen, en dus werd de route bovenlangs ingeslagen, alwaar een verbluffend uitzicht en een fraaie waterval in het vooruitzicht waren gesteld.

Nu moet gezegd worden dat Madeira een prachtig eiland is, en bovendien een walhalla voor eenieder die zijn afkeer van het Engelse volk nu eens niet door dronken jongeren maar door treurniswekkende ouderen bevestigd wil zien. Maar Madeira is ook het eiland van de levada’s, kunstmatige irrigatiekanalen die dwars door het bergachtige landschap zijn aangelegd ten behoeve van de landbouw.

Het moet een van die vreselijke Engelsen geweest zijn die een jaar of dertig geleden bedacht dat als boeren langs die levada’s konden lopen, toeristen dat helemaal zouden kunnen. Het wandeleiland Madeira was geboren, en ho maar dat er iemand was die kritisch opmerkte dat die smalle paadjes eigenlijk helemaal niet voor wandelaars waren aangelegd.

En zo bevond ik mij plotseling op een richeltje van nog geen halve meter breed met links een lullig waterstroompje en rechts niets dan een gapende afgrond van enkele honderden meters diep. Ergens ver weg, vooral heel ver weg achter me hoorde ik de waterval die ik nooit zou zien omdat er geen weg terug was en er van een blik achterom geen sprake kon zijn. Nog nooit draaide de aarde zo hard om zijn as, behalve op de vierkante centimeters waar ik me bevond, waar alles vooral heel hard stilstond.

Op dat moment dacht ik aan u. Hoe kon ik u afschepen met een niet eens toegelicht Even weg om, anoniem en voor eeuwig bloggieloos in een ravijn gestort, nooit meer terug te keren? Dat was waanzin! En dan die arme Darko: met zijn imposante voorkomen bewaakte hij weliswaar twee weken lang het huis, maar dat diertje kon ik toch moeilijk de rest van de hypotheek laten aflossen? Ik moest met andere woorden verder, al was het deels door het nogal frisse water waar even verderop, iets minder fris, twee dode ratten in lagen weg te rotten.

Eenmaal veilig thuis wist het andere boekje te melden dat het gekozen alternatieve pad ‘bijzonder riskant’ was en slechts aan te raden voor mensen die ‘absoluut geen last van hoogtevrees’ hadden. Maar ik heb hem toch maar mooi volbracht, mijn Olympische finale op de evenwichtsbalk annex vloeroefening.