Albert Smurf

‘Spaart u smurfen?’, vroeg ze.

Het was de stomste vraag die me gesteld werd sinds iemand twee jaar geleden van me wilde weten of ik soms een wup wilde.

Maar goed, er worden dezer dagen dus ‘gratis’ smurfen weggegeven, gewoon bij Albert Heijn, en dat zullen we weten ook. Bij iedere vijftien euro aan boodschappen krijg je er een, en dat staat bij Albert Heijn ongeveer gelijk aan twee broden en een pak melk – ga er een keer je wekelijkse boodschappen halen en je hebt zo een heel dorp bij elkaar gesmurft. Behalve dan Grote Smurf, want daarvan zijn er in heel Nederland natuurlijk maar een paar, in tegenstelling tot die eigenwijze klotebrilsmurf of die Al Qa’ida-lolsmurf, waar het gemiddelde gezin er inmiddels vierentwintig van in de vensterbank heeft staan. Gargamel heb ik trouwens ook nog nergens gezien; die zou ik anders wel herkend hebben in een twintig keer zo grote verpakking met een vangnet eruitstekend.

‘Spaar je smurfen’… ha!

Zonder iets te zeggen keek ik haar aan met een veelbetekenende blik van ‘zie-je-die-ongeschoren-kop-met-die-groeven-wallen-en-ontluikende-grijze-haren-dan-niet?’, die ook wel de wedervraag stelde: zie ik er soms uit als iemand die smurfen spaart?

Ze moest er een beetje van blozen.

Ik schatte haar nog geen twintig, wat betekende dat het hele smurfentijdperk aan haar voorbijgegaan moet zijn. De smurfen, die stammen uit de tijd dat Vader Abraham de baard in de keel kreeg, en zijn inmiddels al jaren met prepensioen. Maar zoals wel meer B-artiesten van weleer komen de smurfen er nu achter dat die smurfen-AOW ook niet al te groot is (word dan ook geen smurf, zeg ik dan op mijn beurt) en Albert Smurf is er als de smurfen bij om een heuse resmurfal op poten te smurfen, net als ze een paar jaar terug met de wuppen hebben gedaan.

What’s next?, vraag je je af. Een gratis keelclitoris bij iedere tien euro aan vleesproducten en een pluchen Linda Lovelace bij een volle spaarkaart ter ere van 35 jaar Deep Throat? Het maakt volgens mij niet zoveel uit wat Albert Heijn bedenkt: als ze verse drollen zouden uitdelen, zou heel Nederland schijt-ziek worden. Wat dat betreft zou ‘s lands grootste kruidenier wel eens wat meer maatschappelijke betrokkenheid kunnen tonen; ik denk aan een gratis knuffel van een moslimbroeder voor de mannen en een ferme handdruk van een imam voor de vrouwtjes.

Toen de spanning ondraaglijk werd, of de wachtrij te lang, dat kan ook, brak de lach op haar gezicht door en concludeerde ze ‘haha, nee, vast niet’, de bon overhandigend.

‘Ja hoho,’ zei ik, ‘nu zal ik ze krijgen ook! Ben je nou helemaal besmurft!’

Bij thuiskomst bleek ik in het bezit geraakt van een of andere babysmurf. Nu heb ik die Smurfin altijd al een smerige slettebak gevonden, maar toen ik naar de smurfen keek, was er nog helemaal geen babysmurf.

Laten we het erop houden dat Albert Heijn op de kleintjes blijft letten.

Extreem

Ook Jan Marijnissen gunt zijn collega’s het allerbeste, en Geert Wilders en Rita Verdonk zullen de electorale windeieren die hun karakterisering door de SP-leider als ‘levensgevaarlijk’ respectievelijk ‘extreem-rechts’ vast niet heeft gelegd, ongetwijfeld met genoegen rapen – voor zover je niet gelegde windeieren kunt en wilt rapen dan.

Als Marijnissen werkelijk denkt dat dit de manier is om het trotse duo te bestrijden, dan is hij nog naïever dan ik altijd al dacht. Het feit alleen al dat zijn bestempeling tot ‘extreem-rechts’ tot nieuwsfeit gepromoveerd wordt, zegt al genoeg. Wilders zou kunnen zeggen dat de subsidie voor de extreem-linkse publieke omroep moet worden stopgezet vanwege de staatspropaganda die blijkt uit de gehanteerde allochtonenquota’s, en dan blijft als nieuwsfeit over dat wat Wilders betreft de geldkraan voor de publieken dichtgedraaid moet worden, maar heeft hij het hele bestel en passant wel even als extreem-links en propagandistisch weg kunnen zetten.

Het is de vrij eenvoudige retorische truc van de many questions: vraag iemand of hij zijn vriendin nog steeds slaat, en of diegene nu bevestigend of ontkennend antwoordt, hij geeft ermee toe dat er een tijd was dat hij zijn partner bont en blauw mepte. Stel dat de extreem-linkse publieke omroep geen geld meer mag krijgen, en het uitgangspunt van iedere discussie is dat de publieke omroep extreem-links is. Het is de taal van de underdog, en Wilders is er onovertroffen in. Staatspropaganda, Marokkaanse straatterroristen, de boerka is een pinguïnpak en de premier een beroepslafaard: hij zegt steeds net iets meer dan hij zegt (overigens geheel overbodig want aan onduidelijkheid over zijn opvattingen geen gebrek) en komt ermee weg omdat men gedwongen wordt uitsluitend op de inhoud te reageren. Wie immers verwijten maakt over de toon in het debat is maar al te makkelijk mikpunt van honende spot, ook al zijn de geplaatste kanttekeningen objectief gezien, voor zover mogelijk, nog zo terecht.

En dat is nu precies de paradox van de politiek: die vraagt idealiter om bestuurders die gelijk hebben, terwijl het uiteindelijk neerkomt op gelijk krijgen, namelijk bij de verkiezingen. Wanneer Rita Verdonk het heeft over de verderfelijke oude politiek, dan doelt zij op politici die vanuit hun eigen overtuiging proberen te verwezenlijken wat goed is voor de mensen; daartegenover stelt zij het beeld van de Tweede Kamer als bordeel: verhoereerd aan gans het volk en volledig overgeleverd aan zijn grillen. Als we de files willen oplossen door een atoombom op de Randstad te laten vallen, dan hangt Rita al met haar B-52 in de lucht.

Femke Halsema heeft groot gelijk als zij Marijnissen kapittelt over diens merkwaardige uitspraken waarin hij de levensgevaarlijkheid van Wilders verbindt met de genocide in Rwanda: er is geen enkele aanleiding voor Marijnissen om exact te doen waartegen hij zo zegt te ageren. Tegelijkertijd is Halsema’s oproep tot een gematigder toon – in haar ogen noodzakelijk omdat er nu angst verspreid zou worden, en door haarzelf uit voorzorg vast naïef en soft genoemd, welk een vooruitziende blik! – echter een zwaktebod, omdat zij op haar beurt getuigt van angst voor die niet-gematigde toon.

Ik heb het al eerder gezegd: of die politici het nu leuk vinden of niet, ze moeten maar eens accepteren dat die ongenuanceerde toon nu eenmaal gehanteerd wordt, en wie een willekeurige familieverjaardag bezoekt kan toch ook moeilijk volhouden dat daarmee niet een deel van het volk vertegenwoordigd zou worden. Dus: deal with it! Beschouw die man gewoon eens als een van die andere 149, die als hij straks gaat regeren ook compromissen moet sluiten en ontdekt dat er toch wel heel veel ambtenaren nodig zijn. Zeg eens dat zijn haar zo normaal zit, benadruk eens dat je het hartgrondig met hem eens bent; dat moet die man allemaal verschrikkelijk vinden.

Overigens begrijp ik nog altijd niet waarom Marijnissen Rita Verdonk extreem-rechts noemde. Waarschijnlijk doordat de site waarmee wij straks haar meningen gaan vormen nog niet af is, heb ik haar nog altijd niet op enige stellingname kunnen betrappen, behalve dan dat ze het fileprobleem gaat oplossen – en wat dat betreft stelt ze zich juist op achter degenen die zich op het asfalt extreem links gedragen.

Uitgelezen (51)

Zoals in de popmuziek een liedje van drie minuten nimmer kan tippen aan de rijkdom en opbouw van een briljant gecomponeerd nummer van dubbele lengte, zo legt in de literatuur de novelle het altijd af tegen een geslaagd magnum opus van een schrijver. Natuurlijk, een kort boek kan adembenemend mooi geschreven zijn, maar wanneer een schrijver datzelfde 800 pagina’s of meer achter elkaar doet met dezelfde personages, is de artistieke prestatie op een of andere manier toch groter, en de moeite om afscheid te nemen van de karakters, misschien is dat het ook wel, eveneens.

Een boek kan je ook totaal niet raken, zoals mij nu overkomt met de jongste Booker Prize-winnaar The Gathering van Anne Enright. Bij een gemiddelde omvang lees je het dan rustig uit, en bij een dik boek zou je dan iets vervelends maar niet onoverkomelijks moeten doen: het terugzetten in de kast (zie hier voor een handleiding).

Het irritante van dikke boeken is nu dat je erin kunt verdwalen. Dat ze je in het begin naar de strot vliegen, dat je verder verder verder wilt maar dat vervolgens de inmiddels torenhoog gespannen verwachtingen niet worden waargemaakt en je het boek uiteindelijk na de laatste pagina vertwijfeld dichtslaat, onzeker over je oordeel omdat je je nog wel iets herinnert van je oorspronkelijke enthousiasme terwijl de teleurstelling overheerst.

Zo’n boek is Darkmans van Nicola Barker, eveneens genomineerd voor de Booker Prize 2007, met 838 pagina’s bijna net zo dik als alle andere genomineerden bij elkaar, en achteraf dus terecht niet tot winnaar uitgeroepen.

Hoe anders dacht ik daarover na een bladzijde of 200, toen alle personages nog in een wervelende stijl gepresenteerd werden tezamen met hun mysteries en mysterieuze verhoudingen tot elkander, en als je schier ondraaglijke nieuwsgierigheid dan weer enigszins gevoed werd, dan

godverdomme

was het hoofdstuk weer afgelopen, werd de aandacht op niet minder boeiende wijze verlegd naar een volgende verhaallijn en moest je dus weer verder, verder verder verder, maar het werden te veel personages die veel te verweven waren met elkaar en ook eigenlijk wel heel erg raar waren allemaal, kortom, ik raakte de draad kwijt en heb weer eens het gevoel

tsja

dat er wederom van alles aan me voorbijgegaan is, waaronder, niet geheel onbelangrijk, de essentiële boodschap van het boek. Het gevoel beklijft dat hier veel meer in had gezeten.

Niettemin een ruime zeven voor de verslavende werking, of zelfs een acht min vanwege het feit dat we nu weer een nieuwe bijnaam hebben voor onze kat Darko.

Zero Bloggies

Naast mijn werk voor iamzero.nl heb ik ook nog een ander baantje, dat, zoals dat gaat, steeds meer tijd opslokt: veertig uur per week is tegenwoordig geen uitzondering. Al dat gearbeid de ganse dag beïnvloedt de kwantiteit van de berichtgeving alhier natuurlijk negatief, en ook kwalitatief laat het zijn sporen na. Met enige regelmaat rijzen de haren mij althans te berge bij het teruglezen van het een of ander. Nu heb ik geen enkele reden om te twijfelen aan de oprechtheid van de vage kennissen die mij zo nu en dan toevertrouwen met plezier van mijn schrijfsels kennis te nemen, maar het zou verkeerd zijn enige waarde aan deze stukjes toe te kennen, laat staan ze op enigerlei wijze te onderscheiden.

In eerste instantie was ik dan ook verheugd over het feit dat ik dit jaar opnieuw voor geen enkele Dutch Bloggie in aanmerking kom. Een paar maanden geleden wist ik dat nog zeker, omdat de organisatie het briljante idee had opgevat om de bloggers uitsluitend zichzelf te laten nomineren. Wat graag had ik de longlist gezien van de zelfingenomen blaaskaken, niet gehinderd door enige vorm van zelfreflectie, die zichzelf die prijs wel toebedachten! Helaas, na forse kritiek van de drie landgenoten die nog geen eigen weblog hebben werd het grote publiek alsnog een nominatieronde gegund.

Normaal gesproken moet ik nu concluderen dat niemand van u de euvele moed heeft gehad om mij te nomineren, en daar ben ik u bijzonder erkentelijk voor. Een alternatieve verklaring is echter dat ondergetekende wel degelijk is genomineerd, maar dat de vakjury gemeend heeft andere schrijftalenten hoger in te moeten schatten. Helaas is dat een maar al te plausibele verklaring, want wie bijvoorbeeld de nominaties in de categorie literatuur gadeslaat, kan toch moeilijk anders dan twijfelen aan de geestelijke vermogens van de juryleden.

Sowieso vraag je je af of de categorie slaat op de literaire kwaliteit van de genomineerden zelf, of op het feit dat zij zo veelvuldig en interessant over literatuur schrijven. In het eerste geval begrijp ik de meeste nominaties niet, maar kan ik me voorstellen dat de juryleden liever een goed boek lezen dan het Nederlandse webloglandschap doorploegen op zoek naar die ene literaire speld in de hooiberg bagger; in het tweede geval begrijp ik de nominaties helemaal niet, want wie van die zeventien genomineerden schrijft er nu eigenlijk overwegend over literatuur – meer dan, laten we zeggen, iemand als, ehh, ik?

En zo ben ik uiteindelijk toch nog bijzonder gebruuskeerd, beledigd ende teleudergesteld. Vooral als dan een dag later een of andere onderknuppel van De wereld draait door belt om te zeggen dat ik op 20 maart toch niet hoef te komen vertellen over mijn gewonnen Bloggie (“En nu, zero? Nu is Nederland zeker te klein?” “Ja Matthijs, nu is Nederland te klein, maar dat was het al een tijdje” – ik heb het hele gesprek hier godverdomme voor me liggen, zwart op wit).

Maar niet getreurd, o vrienden: ik zal de knop ‘Publiceer’ blijven beroeren, of ik nu geteisterd word door allesverstikkende zelfkwelling of niet.

Heester

Terwijl binnen de Nederlandse jeugd zich verheugde op weer een gezellige familieavond voor de televisie, en hun moeders in de keuken een heerlijke mok warme chocolademelk met misschien wel een toefje slagroom bereidden, togen vijftig betogers op hun vrije zaterdagavond bij min tien naar zorgcentrum (of was het echt een theater?) De Flint in Amersfoort, alwaar het optreden van een honderdvierjarige niet zou moeten mogen omdat hij Nederland in de vervlogen oorlogsjaren zou hebben bedrogen. Joran zou daarover hebben gezwogen, maar van Johan Heesters is het alom bekend dat hij in nazi-Duitsland heeft opgetreden, ook na een bezoek aan Dachau.

Je zou Johan Heesters ook kwalijk kunnen nemen dat hij überhaupt, of is dit nu een hele verkeerde woordkeuze, doorgegaan is met leven nadat hij met eigen ogen heeft aanschouwd waartoe de mens in staat is. Maar goed, hij bleef gewoon eigenwijs ademhalen, en dan zul je net zien dat zo iemand nog honderd jaar leeft. Daarbij heeft hij de pech dat hij zanger is, én dat zijn stem hem op 104-jarige leeftijd nog altijd niet in de steek heeft gelaten. Behalve blijven ademen blijft Johan Heesters dus ook zingen, maar dat mag dus niet omdat hij dat ooit, meer dan zestig jaar geleden, mind you, ook in nazi-Duitsland heeft gedaan.

Alsof niet half Nederland voor zover mogelijk gewoon doorging met wat men anders ook altijd deed.
Alsof Patrick Kluivert nooit meer mag voetballen (of zelfs met de auto naar het trainingsveld) omdat hij ooit iemand heeft doodgereden.
Alsof ik over veertig jaar, na een grote moslimendlösung (door Wilders geïnstiGeerd), nooit meer een stukje mag schrijven omdat ik het ooit voor Geert heb opgenomen.
Alsof de sporters die meedoen aan de Olympische Spelen straks terugkomen als de meest meedogenloze mensenrechtenschenders.

Ook zoiets, dat laffe protest over die Olympische Spelen, waarvan al tachtig jaar bekend is dat ze in Peking gehouden gaan worden en waar dan drie maanden van tevoren iemand die baalt dat er dertig jaar geleden nog zoiets bestond als engagement over uit zijn huiskamerstoel springt van verontwaardiging – om er vervolgens net zo comfortabel weer in terug te vallen.

Die betogers tegen Heesters trotseerden dan tenminste nog de kou, maar ook hun protest is zo zinloos, zo vermoeiend vooral. Ik heb een fragmentje van het optreden op het journaal gezien, maar volgens mij ging het gewoon over de bloemetjes en de bijtjes; ik zag althans geen man in SS-pak en snorretje over het podium marcheren terwijl hij strijdliederen van de Hitlerjugend over het publiek uitkotste. En voor zover ik weet voert Heesters’ toernee ook niet op 4 mei om 20.00 uur langs het Anne Frankhuis, dus waar hebben we het allemaal over. Je hoeft er niet naartoe!

Het mooiste van alles vond ik eigenlijk nog dat die man Heesters heet. Door alle overdadige aandacht was ik er vast van overtuigd geraakt dat een heester een vogel is; het kon haast niet anders of het moest ook nog een bijzonder soort zangvogel zijn. Nomen est omen uiteindelijk. Hoezeer ik ten prooi gevallen was aan een lelijke zinsbegoocheling bleek toen ik ontdekte dat een heester natuurlijk gewoon een boom is.

Ik red me eruit door een verwijzing te maken naar Armando’s De straat en het struikgewas. Het landschap, en dan vooral de bomen, zijn daar schuldig omdat ze alles hebben gezien zonder dat ze iets hebben gedaan. Ongeveer zo is Heesters ook schuldig.

Hangoudere

De ongebreidelde hoeveelheid kennis die mijn brein bij elkaar moet zien te houden, werd gisteren aangevuld met de wetenswaardigheid dat het aantal hangouderen groeit, maar dat er een gigantisch tekort aan geschikte hangplekken aan het ontstaan is. Dat wordt, voor de goede orde, dus als probleem gezien. Hangjongeren staan synoniem voor probleemjongeren die we zo snel mogelijk aan een baan moeten helpen, maar hangouderen hebben het volste recht op hangen, en wee je gebeente als je het idee oppert dat ze misschien ook een jaar of twee langer hadden kunnen doorwerken.

“Het vinden van een hangplek is voor ouderen niet zo eenvoudig”, aldus het bericht. Nee, maar dat is eenvoudig te verklaren: dat komt doordat ze veelal blind of slechtziend zijn en zich zo tergend langzaam voortbewegen. En als ze dan eindelijk een hangplek hebben gevonden, dan is die vaak “niet ingericht op hun behoeften”. Dat klopt; we weten allemaal wat hangouderen het liefst doen – elkaar insmeren met hun ontlasting of hun gepureerde avondmaal (wat ongeveer op hetzelfde neerkomt) – en dat is bij een temperatuur van min vijf op een onverwarmde hangplek echt geen pretje.

De hangouderen blijken de dupe van de huidige bouwtrends. Muurtjes krijgen schuine randen zodat er niet op gezeten kan worden, en bankjes zijn van harde en ongemakkelijke materialen gemaakt, zoals beton en staal. Het is natuurlijk bij de beesten af, bankjes van beton en staal, en tot overmaat van ramp staan ze ook nog eens ver uit elkaar. Dit alles natuurlijk met het oog op die vermaledijde hangjongeren, maar onze gerespecteerde hangouderen, van onbesproken gedrag, zijn er mooi mee in de aap gelogeerd: een deel van de groep moet blijven staan of moet zelfs IN DE SCOOTMOBIEL BLIJVEN ZITTEN.

Ja mensen, dit zijn dus die mannen en vrouwen die op een ontbijtje van bloembollen ons land na de oorlog weer hebben opgebouwd. Respect! Maar nu vraag ik je, hebben die mensen tegenwoordig werkelijk niks beters te doen dan de hele dag te proberen hun scootmobiel tegen een schuine rand van een muur op te rijden? En wat voor hangoudere ben je (of moet ik ‘u’ zeggen?) in godsnaam als je, veroordeeld tot een scootmobiel (uitgerust met rugleuning, armleuning, handvatten, zitvlakverwarming, boodschappenmandje, vierwielaandrijving, rembekrachtiging, airbag en, met alle liefde, daar niet van, ongetwijfeld gefinancierd van uw en mijn belastingcenten) gaat klagen als er in de publieke ruimte geen gecapitonneerde Gispen-fauteuil voor je klaar blijkt te staan? Waarom dan niet meteen verzocht om een geluidsinstallatie die het mogelijk maakt om je collega-hangouderen ook te verstaan, en jonge blonde dames voor de dagelijkse wekelijkse douchebeurt?

Tsja, ik kan wel proberen er een grappig stukje over te schrijven, maar het origineel blijft toch onovertroffen. “Van hangouderen als maatschappelijk probleem is volgens het rapport geen sprake”, zeggen ze dan nog.

Welnee.

De Geertritayaantrichotomie

Sven Kramer was de finishlijn nog maar een paar meter gepasseerd of het verslag vanuit Berlijn werd onderbroken voor een programma in de zendtijd voor politieke partijen. Terwijl een zwerm meeuwen een strakblauwe hemel doorkliefde, het had live kunnen zijn, sprak een ontegenzeglijk aangename, zachte stem de gevleugelde woorden ‘We wonen in een prachtig, welvarend land’ – ja, wat wil je: twee keer wereldkampioen op één dag. Even werd er ingezoomd op het wassende water van de Noordzee, een tsunami van eb die echter tot stilstand kwam aan de voeten van de man die dat men zijn zelfverzekerde houding (‘tot hier en niet verder’) welhaast leek af te dwingen: Geert Wilders.

Wie kon ons op dit moment van nationale trots beter toespreken?

Geert had het strand uitgekozen om ons te vertellen over de erbarmelijke staat van onze gezondheidszorg, onze torenhoge belastingen om linkse hobby’s als ontwikkelingshulp betaalbaar te houden, en natuurlijk over de talloze Marokkaanse straatterroristen die onze vrijheid onder grote druk zetten. Een slechtere beeldspraak dan die van het strand was nauwelijks denkbaar. Met de rug naar Nederland en de blik naar buiten: foei, Geert! En waarschijnlijk ook nog met je kont richting Mekka.

Gelukkig was duidelijk te zien dat Geert zich er zelf ook niet heel gemakkelijk onder voelde. Toen hij rond 2 minuut 10 zijn voorspelbare riedel over de islam afstak, werd er nadrukkelijk ingezoomd op de handen die hij nonchalant achter zijn rug hield, maar waar nu een zenuwachtig gefriemel viel waar te nemen, alsof hij aan zijn inmiddels tot de enkels gestegen water voelde dat er nattigheid op komst was.

Het was natuurlijk Rita. Vanzelfsprekend was zij het die het trotse volk op dit moment het beste kon toespreken (maar ja, geen politieke partij, dan ook geen zendtijd) en Geert stond vast en zeker op de uitkijk voor haar ToN-boot. Het is een tijdje stil geweest rond Rita, maar goed, Kamerlid zijn is ook geen hol an, dat weten we inmiddels. Voor degenen die het vergeten zijn: Rita Verdonk is die mevrouw die onder andere haar partijgenoot Ayaan Hirsi Ali het Nederlanderschap ontzegde, iets wat ze met het oog op haar daadkracht binnen 24 uur moest besluiten, ook al slaagden de experts er vervolgens in zes weken tijd niet in om een unaniem oordeel te vellen in deze ingewikkelde kwestie.

En Ayaan Hirsi Ali, dat is die mevrouw die ze in Frankrijk de nationaliteit aanbieden omdat ze haar er zo graag bij willen hebben. Als je zulk nieuws hoort, dan schaam je je als onderdeel van Nederlandse democratie, en dus hoofdelijk aansprakelijk voor het ministerschap van Rita Verdonk, toch de ogen uit je kop.

Rita Verdonk, nog nimmer betrapt op enige oorspronkelijke gedachte, etaleerde haar intellectuele armoede enkele dagen eerder op schaamteloze wijze in De wereld draait door, een optreden dat gezien kan worden als de kickoff van de tsunami van ToN die ons te wachten staat. Rita Verdonk denkt werkelijk dat ze veertig zetels kan halen door zelf niets te vinden en de burgers een website te bieden waarop iedereen mee kan doen (waar hebben we dat eerder gehoord?), waarna zij zelf alleen maar af en toe het begrip ‘oude politiek’ hoeft te laten vallen. ‘Er wordt al vijfentwintig jaar over het fileprobleem gepraat in de oude politiek, en het is nog steeds niet opgelost!’, constateert ze verbaasd en ze bedoelt er echt mee, heus, ik verzin het niet, dat Jan Lul uit Roelofarendsveen al vijfentwintig jaar de oplossing angstvallig onder de pet houdt maar die straks op het ToN-forum uit de doeken zal gaan doen.

Sinds door toedoen van George Bush het ‘je bent ofwel voor ofwel tegen ons’-isme heerst, wordt een kanttekening bij ongefundeerde kritiek op Geert Wilders vaak als een steunbetuiging aan zijn adres gezien. Evenzo ben je als tegenstander van Geert ook al snel een tegenstander van Rita, maar omdat die iets vervelends heeft gedaan tegenover Ayaan zou je het logischerwijs voor Ayaan moeten opnemen, maar dat kan dan niet omdat zij weer tegen de islam is, waar jij dan weer voor moet zijn omdat je al tegen Geert bent. En zo raak je dus in de knoop als kiezer.

Laat daarom één ding duidelijk zijn. Je kunt van Geert Wilders zeggen wat je wilt, maar de man is serieus met zijn vak bezig en heeft er iets over te melden (zal ik er voor de zekerheid maar weer even bij zeggen dat ik het meestal niet met hem eens ben?). Ayaan Hirsi Ali lijkt me veel te getraumatiseerd om iets wezenlijks te kunnen betekenen in de materie waar het haar om te doen is, een beetje zoals Kelly die gaat roepen dat mannen niet deugen, maar ze wordt internationaal erkend als invloedrijk persoon.

Maar Rita Verdonk, mensenlief, dat is echt een verschrikkelijk mens! Over de populariteit van Geert Wilders kun je je opwinden omdat je het hartgrondig met hem oneens kunt zijn, maar Rita, dat is niets, dat is leeg, dat is niks, dat is nul. En met niets staat ze op vijftien zetels. Vre-se-lijk!

Wie voor Rita is, is tegen mij en dient zich stante pede, met gezwinde spoed, van deze webstek weg te scheren. Stop de tsunami van ToN. Het brengt ons van de drup in de regen, ToN.