Ranking the disasters

Twee maanden nadat bekend was geworden dat het Nederlandse volk als een stel onvoorbereide zombies de rampspoed tegemoet treedt (bikkelharde conclusie: totaal niet rampenproof), heeft TNS NIPO onderzocht welke rampen wij nou eigenlijk zelf het rampzaligst vinden.

Als we vasthouden aan de waar- en betrouwbaarheid van beide onderzoeken, en waarom zouden we die in twijfel trekken, dan staan in het rijtje van TNS NIPO voornamelijk rampen waar we niet op voorbereid zijn. Jammer dus dat de resultaten bekend werden gemaakt luttele dagen nadat de gehele kustlijn voor het eerst in meer dan dertig jaar weer volledig bewaakt werd, want nu eindigde de watersnoodramp met stip op 1, terwijl je kunt stellen dat we op weinig zo zijn voorbereid als op een watersnood. Nederland is zo’n beetje de vleesgeworden watersnoodpreventie.

Typische Pavlov-reactie van die Hollanders weer. Had je het een week eerder gevraagd, dan waren de vierkante wielen van de NS als topramp uit de bus gekomen, of Arnon Grunberg als AKO-winnaar. Half mei 2002 waren de milieuactivisten het grootste probleem, en anderhalf jaar later de moslims. En in de zomer van 1978 was weinig rampzaliger dan een bal op de paal.

Een ‘terroristische aanslag in het algemeen’ eindigt deze week op de vijfde plaats, en is voor Nederlanders op dit moment dus een stuk minder beangstigend dan het dreigende zwaard van een watersnoodramp. De opiniepeilers zelf zijn kennelijk een stuk banger voor een terreuraanslag, want anders hadden ze wel gewoon de nummers 2, 3 en 4 in hun persbericht genoemd. Nu nemen ze zelfs de moeite om de nummer 12 te noemen, maar dat ’11 september’ zo laag eindigt, verbaast mij in het geheel niet; de kans dat het in onze jaartelling ooit nog een keer 11 september 2001 wordt, lijkt ook mij te verwaarlozen.

Welke afschuwelijke rampen deze week zilver en brons hebben gewonnen, blijft echter gissen. Ja, zo zijn we natuurlijk nooit goed voorbereid.

Een tipje van de sluier wordt gelukkig nog wel opgelicht: of iets een ramp is, hangt niet af van de vraag of er doden zijn gevallen. Op basis van deze summiere informatie een wilde gok over de rampenranglijst van de 1000 ondervraagde Nederlanders:

  1. watersnood
  2. aardbevingen
  3. honger
  4. de Duitsers
  5. terror
  6. de PvdA
  7. benzineaccijnzen
  8. vulkaanuitbarstingen
  9. werken tot je 67e of andere armoede
  10. Marco van Basten
  11. onvolledige en zinloze onderzoeken
  12. 11 september
  13. H5N1, SARS of andere modegriepjes

Update: H5N1 zal in de hitlijst van volgende week met stip stijgen.

Vrouw(on)vriendelijk

“Neeeeee moeder, zo kunt u er weer niet uit!”

Ontelbaar de keren waarop ik mijn stuntelende moeder tot wanhoop heb gedreven met bovenstaande of een andere uitspraak uit de geniale sketch waarin Kees van Kooten op onnavolgbare wijze het vrouwelijke parkpeerprobleem uitbeeldde. Vrouwen en parkeren: misschien is het nog wel erger dan vrouwen en kaartlezen of vrouwen en schaken.

In Duitsland houden ze daar gelukkig rekening mee en zijn sommige plekken wat breder dan andere:

Rest de vraag of de vrouwen zelf blij moeten zijn met deze voorkeursbehandeling.

Allicht

In de week dat de leider van kernmacht Pakistan alle macht naar zich toetrok, Afghanistan geteisterd werd door bloedige aanslagen en het drie jaar geleden was dat Theo van Gogh werd afgeslacht, vergaderde de Nederlandse Tweede Kamer over de vraag of fietslampjes wel of niet mogen knipperen. Je zou kunnen stellen dat het Nederland, om in fietstermen te blijven, weer voor de wind gaat. Een korte blik in het verleden toont echter aan dat het tegendeel het geval is.

In de jaren tachtig, toen ik mijn eerste fietsmomenten beleefde, was niets salonfähiger dan fietsen zonder licht. Geert Wilders mag dan zijn mond vol hebben over de moslims die de Verlichting aan zich voorbij hebben zien gaan, maar ook het Nederlandse fietsersvolk beleefde tot voor kort duistere tijden. En niemand die ervoor bekeurd werd, maar goed, je kunt van een volk ook moeilijk verlangen dat een lichtvoorziening die afhankelijk is van een werkend dynamo, een intact miezerig kabeltje en de afwezigheid van regen of een slag in je wiel langer dan een week na aanschaf van de fiets standhoudt.

Een fiets met werkend licht was het schoolvoorbeeld van burgerlijkheid, heb ik altijd geleerd, al zal dat in een autodidactische fase zijn geweest.

Maar kent u hem nog, dat Postbus 51-spotje waarin brave burgers met allerhande schemerlampen en tl-buizen in hun hand door Hilversum of een ander stukje verkeersluw Nederland fietsen? Geen onvertogen woord over het fietsen met de handen van het stuur of over het feit dat de verlichting niet aan de fiets bevestigd was; het draaide om de boodschap dat iedereen vooral wat licht mee moest nemen voor onderweg. En ja hoor, de verkoop van losse lampjes steeg explosief, het werd plotseling weer hip om verlicht over straat te gaan en Gerrit Zalm stelde instemmend vast dat de economie weer aan het aantrekken was.

En net nu de fietsverlichtingszeepbel dan op springen staat, is er ineens commotie over de vermeende onveiligheid van de populairste lampjes. Was de boodschap eerst dat je hartstikke doodgereden werd als je onzichtbaar in het donker was, nu zijn epileptische aanvallen bij je medeweggebruikers aan de orde van de dag als je je lampje laat knipperen.

Ik begrijp nu eindelijk waarom het fileprobleem eigenlijk een probleem is: de dodelijke slachtoffers vallen bij bosjes zodra een of andere onverlaat de euvele moed heeft zijn richtingaanwijzer te gebruiken.

Voor de fietser ligt het allemaal nog veel ingewikkelder. Want hoe kun je bij een barrel als het mijne vaststellen of een lampje eraanvast bevestigd is of niet? En waar houdt ‘constant branden’ op en begint ‘knipperen’? Is dat al wanneer iemand even moet stoppen voor een rood licht, en kan hij in de toekomst dan maar beter doorfietsen?

Allicht dat onze volksvertegenwoordigers daar een week over debatteren. Gelukkig heb ik een OV-chipkaart en hoef ik niet meer altijd op de fiets.

En weer een stukje nostalgie down the drain

Met het imago van de OV-chipkaart is het ongeveer net zo gesteld als met de kwaliteit van bovenstaande titel. Ik geloof dat de eerste plannen voor het nieuwe toegangsbewijs al in de tijd van Napoleon werden gesmeed, maar ik zou verbaasd zijn als hij uiteindelijk landelijk ingevoerd is vóórdat de marsmannetjes ons met hun gratis bussen komen ontvoeren.

Voor de overbruggingsperiode, die inmiddels een eeuw of twee beloopt, werd het volk tevredengesteld met Neerlands meest roemruchte uitvinding sinds, je bent Haarlemmer of niet, die van de boekdrukkunst: de strippenkaart. De Egyptenaren hebben hun piramides, de Chinezen hebben een respectabele muur gemetseld, maar wij hebben de strippenkaart: een wereldwonder van de zuiverste soort, uitgevoerd in blauw en roze, kleuren die zes miljard wereldburgers associëren met baby-jongetjes en -meisjes, maar wij met jong, bejaard en alles wat daartussenin zit.

Vandaag ging ik er weer een kopen, een strippenkaart, want ik was te lui om honderd meter verder te lopen dan normaal. Bij het apparaat dat mij zou gaan voorzien van vijftien maagdelijke blauwe strippen werd ik echter geconfronteerd met de meedogenloze agitprop waar de communicatieafdeling van de OV-chipkaart de gemiddelde forens heden ten dage mee terroriseert. U weet wel, dat is die club die om het gebruik van hun product te propageren stripfiguurtjes heeft ontwikkeld die Jules de Korte zonder geurproef als zwartrijders zou identificeren; zie bijvoorbeeld hier, of anders wel op www.ov-communicatie.nl. En de club ook die magenta als huisstijlkleur heeft uitgekozen, een kleur waarvan diezelfde Jules de Korte weet dat T-Mobile er het alleenrecht op heeft geclaimd en ieder ander die haar gebruikt voor het gerecht sleept.

Goed.

Ik stond dus voor het strippenkaartapparaat, dat ongetwijfeld door toedoen van de chipkaarthonden geen bankbiljetten meer accepteerde en mij daarvoor doorverwees naar een ander apparaat aan de andere kant van het station. Maar daar kon ik dus niet meer komen, doordat de ov-shitpoortjes me de weg versperden en ik niet wilde omlopen omdat dat nou juist de reden was waarom ik überhaupt de metro wilde pakken.

Het enige apparaat dat nog wel binnen bereik was, zo verderfelijk zitten die communicatieplannen wel in elkaar, vertel mij wat, was natuurlijk zo’n magenta geval van de OV-chipkaart. Een mysterieuze kracht, het zal de kosmos wel geweest zijn, of magneta in plaats van magenta, trok mij naar de oplader toe, en verdomd! – daar herinnerde ik me dat er ook zo’n OV-chiplogootje op mijn NS-kaart stond.

Ik had dus gewoon een OV-chipkaart, al maanden!

Het apparaat droeg mij op mijn kaart in een bakje te leggen. Niet eens in een passende gleuf of zo, maar gewoon, los, de wind zou er in een tochtige stationshal nog eens vat op kunnen krijgen, en deze onstabiele situatie bleef ongewijzigd gedurende de volledige transactie, die minstens twee minuten duurde. Angstig keek ik om mij heen of er geen types aan kwamen die enige gelijkenis vertoonden met de figuurtjes uit de campagne, maar uiteindelijk nam die kneuterigheid mij eigenlijk wel voor de OV-chipkaart in. Zo’n waardevol bezit dat je open en bloot moet neerleggen terwijl je je pinpas moet opzoeken: dat getuigt van een grenzeloos naïef maar vooral ook verloren gewaand vertrouwen in de mensheid.

En nu verwacht u natuurlijk een vileine afrekening met het kleinood. Niks daarvan; toen alles gereed was, geschiedde het wonder gewoon! Ik hoefde niet eens een petje scheef op mijn kop te zetten of hup, daar ging het poortje al open. En ik had mijn twintig kilo aan gouden kettingen nog niet om of hop, daar kwam al een metro aangereden.

Ik ben om, geloof ik. En dat bracht mij in gedachten terug bij de aanschaf van de strippenkaart die onverwacht wel eens de laatste geweest kon zijn.

‘Een blauwe?’, vroeg het albertheijnmeisje toen nog, met een zweem van twijfel die ik, ervan uitgaande dat ik niet zo snel als 65-plusser word geschat, maar als een compliment opvatte. Op je hoogtepunt stoppen met de strippenkaart. Ik ben een gelukkig mens vandaag.