Groundhog Oma

De verjaardag van jongste oma (geboren 1914) is een fragment uit een film dat uitentreuren is gerepeteerd maar toch nog steeds niet naar tevredenheid is vastgelegd. Dit weekend vond alweer take 93 plaats.

Zelf heb ik een bescheiden rolletje in het geheel, als een van de schaarse sympathieke kleinkinderen. In de eerste scène leg ik met lood in de schoenen en mijn vriendin de weg af van het metrostation naar het zaaltje waar het feestgedruis op het punt van uitbarsten staat. Daar gearriveerd overhandig ik oma een fles sherry en iets onbestemds voor onder de douche, zij bedankt haar ‘knulletje’, en vervolgens ga ik over tot het plichtmatige schudden van handen en uitdelen van zoenen, waarbij de oplettende kijker een uit ergernis geboren glimlach kan ontwaren vanwege de mensen die hun lettergrepen keurig “ge smak feli smak ci smak teerd” tussen de kussen spreiden.

Daarna beperkt mijn rol zich voornamelijk tot barhangen, bierdrinken, meeroken, grappenmaken en observeren.

Het feestvarken laaft zich aan de al eerder genoemde sherry, gezeten aan een lange tafel in het verlengde van de bar, en omringd door uitsluitend leeftijdgenoten, op het jonkie van 78 na. Met zijn tienen zijn ze hard op weg een millennium oud te worden, want wie denkt dat de lege stoelen aan het eind van de tafel suggereren dat er af en toe een het tijdelijke voor het eeuwige verruilt, heeft het mis: het zijn juist enkele kleinkinderen die schitteren door afwezigheid, en niet omdat zij hun oma niet willen zien, maar omdat zij gebrouilleerd zijn met hun ouders.

Dat laatste is goed voorstelbaar bij de man die de foute oom speelt, een poenig type dat steeds het script erbij moet pakken om te onthouden hoeveel kinderen hij nu ook alweer heeft (vier). De ongelukkige miljonair zit met het flink uitgedunde deel van de familie dat hem nog wel het licht in de ogen gunt het verst verwijderd van de bar, want daar staat de leuke oom, die druk doende is de catering te verzorgen. De reden voor deze verwijdering is het feit dat de foute oom voor niemand (inclusief zijn vrouw) enig gevoel koestert, behalve voor deze leuke oom, die hij veracht.

De regisseur staat weinig variaties op het script toe. Af en toe experimenteert hij met een scheiding, een nieuwe partner voor deze of gene, of een nauwelijks geloofwaardige familiecrisis waardoor een klein- of achterkleinkind er niet kan zijn, maar de tafelschikking bijvoorbeeld is heilig, evenals de exorbitante bierconsumptie aan de bar en het sherrybacchanaal dat zich aan de bejaardentafel voltrekt. Door de ijzeren regie hebben sommige acteurs zich zo langzamerhand volledig geïdentificeerd met de karakters die zij verbeelden. De man die de foute oom speelt bijvoorbeeld beheerst zijn horkerigheid inmiddels zo tot in de finesses dat ik me er iedere keer dat ik de set verlaat van moet vergewissen dat het hier een acteur betreft, en dergelijke lomperiken in het echte leven niet bestaan.

Wie de scènes die in de afgelopen twintig jaar zijn geschoten naast elkaar legt, ziet een zwartgallige komedie over een lief, onschuldig oud vrouwtje dat zelf geen spat verandert maar de familie om haar heen in rap tempo uiteen ziet vallen. Eens per jaar doet men alsof er niets aan de hand is, in de naïeve veronderstelling dat oude oma wel niks door zal hebben. De gelatenheid waarmee de meeste gasten niet meer tegen elkaar zeggen dan een mompelend “Hallo, feliesteerd” en een uitbundig “Tot volgend jaar dan maar weer!”, spreekt boekdelen. In één scène wordt de cynische analyse gemaakt dat als oma er niet meer is, ‘we die mensen nooit meer zien’. De goede verstaander heeft dan allang begrepen dat de kans dat ‘we die mensen nooit meer zien’ vanwege een of andere lullige familietwist vele malen groter is. Want oma, die wordt gewoon 120.

De eerste trailers van Oma Janssen: The Movie zijn binnenkort te zien op www.omajanssen.nl.

De Studie Beurs, een compilatie

“Ehhh… enne… wat is dan het verschil tussen… even kijken hoor… U Vee A enne… Vee U?”

*

“Wat kun je daar nou eigenlijk mee doen later, met zo’n opleiding aan het conservatorium?”

*

“En wat ken je dan met Nederlands worden?”

*

“Hallo, kunt u iets vertellen over geneeskunde?”
“Nee, want ik studeer zelf rechten.”
“O, maar dat vind ik ook heel interessant!”

*

(meisje tegen mij)
“Wat studeert u eigenlijk?”
(tegen mij!)
*

(ander meisje tegen mij)
“Ik wil iets weten over Film en ze zeiden dat ik bij u moest zijn, want u bent toch het hoofd van de hogeschool?”
“Nou ehh, ik kan je wel iets vertellen over Film ja.”

*

(drie jongens, uitgedost als filmploeg, compleet met professionele camera, microfoonhengel en regisseur in pak, ook tegen mij)
“Wij willen iets weten over Film, mogen we u een paar vragen stellen?”
“Nee, daar weet ik echt helemaal niks van!”
(…)
“O, jullie willen dat zelf gaan studeren! Ja, daar kan ik wel iets over vertellen inderdaad.”

*

“Maar dan moet ik voor die open dag helemaal naar Amsterdam komen.”
“Ja, net als voor je colleges waarschijnlijk.”
“O ja, gatver, nou laat dan maar zitten.”

*

“Ik twijfel nog tussen Amsterdam en Doorn.”
“En waar woon je zelf dan?”
“In Amsterdam.”

*

“Communicatiewetenschap, dat is toch meer voor huppelkutjes?”

Uitgelezen (45)

Ian McEwan – Saturday (2005)

Helaas voor jubilerende Harry werd ook 2007 weer niet zijn jaar; dit jaar was het Doris Lessing die de Nobelprijs voor de Literatuur voor zijn niet onomvangrijke neus wegkaapte. Alweer iemand van wie ik nog nooit een letter heb gelezen, terwijl haar lijst met werken (incompleet!) toch duizelingwekkend is (er staan er hier trouwens wel vier in de kast, dus tips zijn welkom). Ik heb het kennelijk gewoon niet zo op Nobelwinnaars; van alle laureaten sinds het Jaar des Zeeroën 1977 heeft eigenlijk alleen de hier te logge veelgeprezen Saramago mij echt kunnen bekoren.

Doe mij dan maar de winnaars, of zelfs maar de genomineerden, van de Booker Prize. Nog een paar nachtjes slapen en dan wordt de winnaar van 2007 bekendgemaakt, en hoewel ik On Chesil Beach niet heb gelezen, mag Ian McEwan wat mij betreft de gelukkige zijn. Want leuk geprobeerd van Mohsin Hamid met zijn geslaagde novelle, maar een schrijver die een boek als Saturday aflevert, is toch wel different koek.

Je moet wel over enig zit- en leesvlees beschikken om je een weg te banen door de ragfijne stijl waarmee in bijna driehonderd pagina’s nog geen vierentwintig uren worden beschreven, maar gelukkig is McEwan daarin nergens zo geforceerd als bijvoorbeeld James Joyce in Ulysses. Het erge is dat ik Saturday na een bladzijde of vijftig een tijdje opzij heb gelegd om het nieuwe boek van Arthur Japin te lezen, een met terugwerkende kracht bespottelijk intermezzo dat heeft verhinderd dat ik helemaal lyrisch ben over McEwan.

De nieuwe Japin is een boek dat hele decennia beschrijft, maar oneindig veel minder vaart heeft dan het etmaal van Saturday. Een recensent zou zeggen dat het boek urgentie heeft, een belachelijke karakterisering als je erover nadenkt, en ook taalkundig een merkwaardige constructie – maar we weten wel wat er ongeveer mee bedoeld wordt: het boek doet ertoe, zowel op het literaire toneel als in de thematiek die het aansnijdt. Hier zien we een in alle opzichten geslaagde veertiger, zelf succesvol als hersenchirurg, zijn vrouw in de advocatuur en zijn kinderen als dichteres en muzikant in de respectievelijke dop. Kortom, er is op het eerste gezicht geen vuiltje aan de lucht voor Henry Perowne.

Tot Perowne op de bewuste zaterdag, 15 februari 2003, een brandend vliegtuig in die onbewolkte lucht ziet, en zijn invuloefening (moslimterrorisme) even later op het nieuws naar het rijk der fabelen wordt verwezen. Het is niet de enige schuldvraag waarmee Perowne die dag zal worstelen. Onder andere heeft hij ‘s middags een heftige discussie met zijn dochter over de dreigende oorlog in Irak, waar die dag ook massaal tegen gedemonstreerd werd in Londen. Een briljante dialoog, waarbij de waarheid zelfs anno 2007 nog in het midden blijft, al heb ik daar al een lichte voorkeur voor de politiek incorrecte standpunten van de hoofdpersoon. Maar die triomfeert pas echt aan het eind van het boek, als hij de schuld van zijn fysieke belager Baxter op een wel heel onalledaagse manier analyseert, en dat niet alleen: er ook naar handelt.

Als iedereen nou eens zo zou doen, dan zou de wereld er al een stuk prettiger uitzien. Als iedereen zo zou schrijven als Ian McEwan ook trouwens.