Maandelijks archief: juli 2007
Komkommertijd
Komkommers zijn lekker, maar komkommernieuws is pas echt om van te smullen. Komkommertijd is de tijd van mannen met maden in hun hoofd, gratis toneelstukken voor maagden en dieven die een zwembad met vierduizend liter water erin stelen zonder een druppel water te morsen; kortom, de tijd waarin de gewone man in al zijn merkwaardige gedaantes in het middelpunt van de belangstelling staat.
De gewone man die het allemaal leest zou kunnen concluderen dat de politici waar de kranten de rest van het jaar vol van staan eigenlijk zo gek nog niet zijn, ware het niet dat de gewone man niet aan die gedachte toekomt omdat hij na een jaar geweeklaag over alles wat niet deugt voor een welverdiende vijfde keer met zijn luie reet in de zon ligt.
Komkommertijd is ook de tijd van uitgerangeerde artiesten die met wanhopige aandachttrekkerij proberen te profiteren van de mediastilte. Hans Kazans suïcidale neigingen zouden in oktober zelfs de Privé niet hebben gehaald; nu zijn ze wereldnieuws. En het kan natuurlijk geen toeval zijn, al was het maar omdat bij Hem niets toeval is, dat Harry Mulisch uitgerekend hartje komkommertijd tachtig wordt.
Alleen de groten der aarde halen buiten komkommertijd het nieuws – ik noem een Bassie en u begrijpt wat ik bedoel.
Samenvattend zou je kunnen stellen dat de hoofdrolspelers in komkommertijd handig gebruikmaken van de langdurige afwezigheid van de kritische geest van het journaille. In plaats van het luttele nieuws van enige importantie op een schamel A4′tje te proppen moet de krant ieder dag vol, en zo werd gisteren zelfs melding gemaakt van de plannen van Yvonne Kroonenberg om haar verzameld werk te hertalen voor zwakkere lezers.
Nu vraag ik je toch.
Er is iemand op deze wereld die dit bericht doelbewust heeft ingetypt. Die het heeft nagelezen. Die vervolgens ergens op ‘verzenden’ of ‘klaar’ of ‘akkoord’ of iets dergelijks van bevestigende aard heeft geklikt. Die daarmee de hele wereldgemeenschap deelgenoot heeft gemaakt van het vermeende feit dat Yvonne Kroonenberg, het vleesgeworden zuur waar iedere man mijlenver voor Opzij springt, haar boeken zodanig gaat bewerken zodat ze ‘makkelijk te lezen zijn door laaggeletterden’.
En diegene is waarschijnlijk nog voortvluchtig ook.
Yvonne Kroonenberg voor laaggeletterden, dat heet in hooggeletterd Nederlands ook wel een tautologie. Als jezelf respecterend journalist of bureauredacteur moet je jezelf toch op zijn minst afvragen wat je je bij een versimpelde Kroonenberg zou moeten voorstellen? Ze kan toch moeilijk bedoelen dat ze haar grappen nog makkelijker wil maken, of dat ze haar boodschap nog wat vaker gaat herhalen voor het geval we het nog niet begrepen hadden.
Ik zou wel De ontdekking van de hemel voor laaggeletterden willen lezen. Maar ik ben bang dat de tijd die Harry nodig zou hebben voor die 8400 pagina’s hem niet meer gegeven is.
Re: Brieven van weleer (1)
Checkte net je mail. Doe ff chill, man! LMAO @ jouw gezeik over regen! Het pleut hier echt vet harder dan waar jij zit, gast. Je weet tog, broeikaseffect en CO2 enzo. Die zomer hier is zo ruk dat er op straat helemaal geen lekkere chickies lopen om uit te checken. Zeg maar toedeloe tegen je aardkloot, Engeland is al weg. Eet dat, met je gepiep over paardenpeop.
En die chick van jou, dat fokking BrEeZaHsLeTjE, die moet gewoon ff een paddo bietsen bij die kill in de disco, weet je. Dan krijg je echt leipe shit. Paddeaux zijn da bomb man. W00t!
Nee egt kill, bij jou is alles lauw. Je zegt zelfs dat de hakbars werken! Da’s flex, ja tog?
Dus relax man, wees blij met waar je zit. Hier zuigt het leven pas echt hard. Maar ik check je laterz, ik moet nu ff verder aan mijn scriptie, anders wordt mijn prof waka.
Mzzl uit Haarlem de gekste,
drs. Bassie
Zitactie
In al zijn eenvoud bezit dit woord toch maar een een mooie innerlijke tegenstrijdigheid.
Brieven van weleer (1)
Amice!
Tot u spreekt een verontrust heerschap. U moogt gerust weten dat ik met het voortschrijden der tijd steeds meer mijn tabak krijg van des menschen onverschilligheid. Men helpt de wereld naar den bliksem! – en dewijl ik het schrijf word ik zooals reedsch den ganschen dag opgeschrikt door den donder. Ik verzeker uedele: de weergoden zijn vertoornd om de gemakzucht waarmede de menschheid de schoonheid der natuur verkwanselt. Nimmer sedert het begin onzer documentatie der dagelijkschen wedergesteldheid heb ik regen aanschouwd als dewelke dezer dagen onzeren daken teistert.
Uedele, de menschen streven heeden ten dagen als hongerige wolven den vooruitgang na, men omarmt al wat nieuw is zonder rekenschap te geven van hetgeen men achterlaat. De paardenkoets bij voorbeeld wordt gekoesterd als eene wondre uitvinding van snelheid, edoch, om de fecaliën der paarden bekommert men zich niemendal, ofschoon deze de schoonheid des drinkwaters ernstig in gevaar brengen.
Ook de tegenwoordige jacht op financieele vooruitgang beschouw ik met eenige terughoudendheid, uwe doorluchtigheid. Mij is ter ore gekomen dat een landheer uit ons gewest eenige tijd her horigen uit den vreemde betrokken heeft. Op den korten termijn had hij daarvan eenig profijt, edoch nu zoudt u spreekwoordelijk kunnen stellen dat hij zijnen kar in den poep gereden heeft. Och, uedele zoudt die lijfeigenen eens moeten aanschouwen! Zij gaan gehuld in lompen, zij aanbidden den Duivel – en onderbreken daar met eenige regelmaat hunne arbeid voor – en dewijl zij met enkele dukaten daags reedsch tevreden zijn, zullen onze nakomelingen mogelijk nimmer emplooi kunnen vinden.
Hun gedrag is bovendien geheel in strijd met den goeden smaak. Zij flatuleren in den openbare ruimte en ofschoon zij niet drinken bedreigen zij mijnen dochter. Om verzekerd te zijn van eenen behouden thuiskomst eisch ik om harentwille dat zij rond de stonde van negen den herberg verlaat. Sedertdien leef ik in onmin met de waard, die nu weigert nog langer mijn paddenstoelen aan zijn klandizie voor te schotelen, zoogenaamd omdat eenige zijner gasten vreemd gedrag hadden vertoond na het nuttigen deezer spijze.
U ziet, de gramschap der goden is allesverwoestend, het eene probleem vormt als vanzelf den aanleiding voor het volgende. Gelooft u mij wanneer ik u zeg dat ik als een optimist ter wereld kwam, maar dat deeze wereld niet langer de mijne is. Ten einde raad bid ik Uwe Doorluchtigheid om goede raad.
Vertrouwende op uw voortreffelijkheid verblijf ik,
voor altijd uw goede vriend
Ghijsbreght
Einde partij
In het begin van de partij zag het er nog zo rooskleurig uit. Maar ja, wie alleen maar met wit speelt, is altijd wel iets in het voordeel. Wit is nu eenmaal de dominante partij, dat weten we allemaal; dat is cultureel en historisch bepaald. Enig optimisme was dus best op zijn plaats, maar was het nu wel verstandig om bij aanvang van de partij de zwarten meteen al tot achterlijke tegenstanders te bestempelen? Om ze überhaupt als tegenstanders aan te merken, en niet als spelgenoten?
Natuurlijk, jullie barstten van het zelfvertrouwen. De stelling die jullie hadden ingenomen leek, hoewel onorthodox en voor het objectieve oog uitermate dubieus, het gewenste effect te sorteren, en de eerste aanvalsgolven zagen er op zijn zachtst gezegd bijzonder dreigend uit. En passant wonnen jullie ook steeds meer terrein.
In de heersende overwinningsroes dachten jullie de winst al binnen handbereik te hebben. Maar uitgerekend op het moment dat jullie net je stukken naar de machtigste posities wilden dirigeren, verloren jullie in een onbewaakt ogenblik je belangrijkste pion. ‘Ik word de nieuwe winnaar van dit spel’, waren ongeveer zijn laatste woorden geweest.
Je hoeft geen grootmeester te zijn om te weten dat je met één enkele pion nooit een partij zult winnen, maar het verlies ervan kan maar al te makkelijk de voorbode zijn van een kansloze strijd. In dat licht bezien is de onbeschrijflijke hysterie die zich na het pionverlies van jullie meester maakte nog best te begrijpen.
De tranen waren nog maar amper opgedroogd toen jij in beeld kwam, ocharme. Je werd opgeroepen naar het centrum, maar daarvoor was je als randpion natuurlijk totaal niet geschikt. Van een afstandje probeerde je naar beste eer en geweten wat aanwijzingen te geven, maar de coördinatie tussen de stukken was volkomen zoek en het een na het ander verdween van het toneel, overigens niet zelden na een laatste wanhopige kamikazemachtsgreep. Of ze begonnen, even onsportief als kansloos, aan een nieuwe partij terwijl deze nog niet eens afgelopen was.
In het eindspel was je machteloos. Van een patstelling kon je alleen maar dromen.
En nu, na nog geen vijf jaar, is de partij definitief voorbij. Verloren, kansloos uiteengespeeld sta je daar dan – heel triest voor je – Mat.
Tienlettermeteorologielingo
Het is tienlettermeteorologielingo!

Nou, die is weer niet al te moeilijk. Oplossingen graag wederom in het aantal hits van het antwoord op Google.
Zie ook Tienletterpaaslingo, Tienletteractualiteitenlingo, Tienletteractualiteitenlingo (2) en Tienletterjaarwisseling-ling-ling-lingo.