Amice!
Tot u spreekt een verontrust heerschap. U moogt gerust weten dat ik met het voortschrijden der tijd steeds meer mijn tabak krijg van des menschen onverschilligheid. Men helpt de wereld naar den bliksem! – en dewijl ik het schrijf word ik zooals reedsch den ganschen dag opgeschrikt door den donder. Ik verzeker uedele: de weergoden zijn vertoornd om de gemakzucht waarmede de menschheid de schoonheid der natuur verkwanselt. Nimmer sedert het begin onzer documentatie der dagelijkschen wedergesteldheid heb ik regen aanschouwd als dewelke dezer dagen onzeren daken teistert.
Uedele, de menschen streven heeden ten dagen als hongerige wolven den vooruitgang na, men omarmt al wat nieuw is zonder rekenschap te geven van hetgeen men achterlaat. De paardenkoets bij voorbeeld wordt gekoesterd als eene wondre uitvinding van snelheid, edoch, om de fecaliën der paarden bekommert men zich niemendal, ofschoon deze de schoonheid des drinkwaters ernstig in gevaar brengen.
Ook de tegenwoordige jacht op financieele vooruitgang beschouw ik met eenige terughoudendheid, uwe doorluchtigheid. Mij is ter ore gekomen dat een landheer uit ons gewest eenige tijd her horigen uit den vreemde betrokken heeft. Op den korten termijn had hij daarvan eenig profijt, edoch nu zoudt u spreekwoordelijk kunnen stellen dat hij zijnen kar in den poep gereden heeft. Och, uedele zoudt die lijfeigenen eens moeten aanschouwen! Zij gaan gehuld in lompen, zij aanbidden den Duivel – en onderbreken daar met eenige regelmaat hunne arbeid voor – en dewijl zij met enkele dukaten daags reedsch tevreden zijn, zullen onze nakomelingen mogelijk nimmer emplooi kunnen vinden.
Hun gedrag is bovendien geheel in strijd met den goeden smaak. Zij flatuleren in den openbare ruimte en ofschoon zij niet drinken bedreigen zij mijnen dochter. Om verzekerd te zijn van eenen behouden thuiskomst eisch ik om harentwille dat zij rond de stonde van negen den herberg verlaat. Sedertdien leef ik in onmin met de waard, die nu weigert nog langer mijn paddenstoelen aan zijn klandizie voor te schotelen, zoogenaamd omdat eenige zijner gasten vreemd gedrag hadden vertoond na het nuttigen deezer spijze.
U ziet, de gramschap der goden is allesverwoestend, het eene probleem vormt als vanzelf den aanleiding voor het volgende. Gelooft u mij wanneer ik u zeg dat ik als een optimist ter wereld kwam, maar dat deeze wereld niet langer de mijne is. Ten einde raad bid ik Uwe Doorluchtigheid om goede raad.
Vertrouwende op uw voortreffelijkheid verblijf ik,
voor altijd uw goede vriend
Ghijsbreght
Waarde Ghijs, me dunkt U voortaan toch “paddestoel” en “faecaliën” zoudt mogen schrijven, want verhoeding van nieuwlichterij waar het de spelling van de Nederlandsche taal betreft, dient bij oprechte proza nauwlettend betracht te worden, niettegenstaande daarenboven een somptueuzer gebruik van interpunctie en welluidender zinnen, zoo mogelijk verfraaid met de benoodigde explicatie in de vorm van bijzinnen, de leesbaarheid wellicht aanzienlijk zouden vermogen te veraangenamen.
Leuk stuk!!
Tering, ik durf dat echt niet, ik heb geen idee waar de dubbele ees en ennen achter zouden moeten… is dat net als net nu nog in het Duitsch is? Des goeden nachts? Een kleines meisje?
Misschien moet ik de Camera Obscura nog eensch leezen, en dan in de 1920 druk. EEN ONAANGENAAM MENSCH IN DEN HAARLEMMERHOUT.