Oorlog en vrede (1)

Ik sta voor een zware beproeving.

Gisteren verscheen de nieuwe vertaling van Oorlog en vrede, en daar hadden de bij elkaar geschnabbelde boekenbonnen (niet doorvertellen s.v.p.) lang op gewacht. Maar nu moeten de 1652 pagina’s nog wel even doorgeworsteld worden. Voorwaar geen eenvoudige opgave, zeker niet omdat ik al eens op pagina 14 in slaap ben gevallen, en ook al niet omdat het romantische beeld van Russische kindertjes die Tolstojs magnum opus op de kleuterschool met speels gemak verslinden door de ervaringsdeskundige vriendin van broerlief inmiddels op brute wijze om zeep is geholpen: ook daar kijkt men liever een film of leest men een samenvatting dan dat men honderden pagina’s over de Slag bij Borodino door moet ploeteren. En als ik schoonzus mag geloven, duurde zelfs de film haar te lang.

Wat zeker helpt, is dat ik nu een uitgave in de onovertroffen Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot heb, ook al ontbrak dan de Willy Wonka-achtige tegoedbon voor de rest van Tolstojs verzamelde werk. Maar de wikkel om beide kloeke delen bezweert ‘moet je gelezen hebben’, geheel en al in achterhaald lettertype en voorzien van uitroepteken. Voor zoveel enthousiasme moet ik wel zwichten, al duurt het maanden.

De grote vraag is nog wel of ik in de tussentijd gewoon andere boeken blijf lezen – met het risico dat ik snel verdwaal in het web van de ontelbare personages – of dat ik mijn literaire aandacht de komende tijd exclusief op Tolstoj richt – met exact hetzelfde risico. De ellenlange dramatis personae doet me nu al duizelen, en het vijftien pagina’s tellende register van historische figuren die de revue passeren stemt me niet hoopvoller.

Zolang ik volhoud, zal ik u van tijd tot tijd op de hoogte houden van de vorderingen. Wie mij in de tussentijd wat ruimte in de boekenkast gunt, mag de pocketuitgave van deel 1 (zoals gezegd 15 bladzijden in gelezen) en/of de Engelstalige vertaling komen ophalen. Evenals overigens de Engelse vertalingen van twee andere Russische klassiekers, Anna Karenina en De Gebroeders Broers Karamazov.

Faunafundi’s

Wouter Bos heeft opnieuw gelijk als hij stelt dat het nog 54 dagen duurt tot de verkiezingen. Bos telt af tot de dag waarop Balkenende weggestuurd kan worden, en ik tel (en bid) met hem mee.

We mogen dit jaar kiezen uit wederom een recordaantal partijen, mits zij tenminste tijdig over de brug komen met een slordige 11.500 euro. Je moet er wat voor over hebben, maar de raarste snuiters hebben dat kennelijk. Er is al genoeg gezegd over de pedo-partij, die meer rechten voor kinderen van 12 wil, maar de Partij voor de Dieren maakt het nog bonter gekker: zij bepleit rechten voor dieren.

Nu weet ik niet hoe dat bij u ligt, maar ik schat een kind van 12 toch nog altijd een stuk hoger in dan het gemiddelde varken.

Een in meerdere opzichten bijzonder vage kennis is nu zo’n drie jaar deelgemeenteraadslid namens de Partij voor de Dieren. In die hoedanigheid spant hij zich nu al zo’n drie jaar in om de kap van één boom te verhinderen, ter bescherming van de groengrijze Rotterdamse singelpad. En het erge is: vijftig bomen aan vergaderpaperassen later gaat het nog lukken ook.

De noodzaak van een partij voor dieren ontgaat me volkomen. Integratieproblemen kent de dierenwereld niet, en ze houden de boel geweldig bij elkaar, zo met zijn veertigen in een kooi. Van vergrijzing is dankzij het succesvolle regime van minister Veerman evenmin sprake.

Begrijp me niet verkeerd, ik draag de dieren een warm hart toe, maar de grootste faunafundi zal moeten erkennen dat de wereld om mensen draait. Oorlogen en tsunami’s leiden tot humanitaire, en niet tot veterinaire rampen. Misschien ook wel, maar dan toch van secundair belang. Ik kan me dan ook niet voorstellen waarom iemand op 22 november op de Partij voor de Dieren zou stemmen. Het enige wat ze in mijn perceptie doen, is op elke slak zout leggen mopperen over dierenleed – een klaagzang die ik overigens van harte meeblèr meezing, maar die toch slechts een onderdeel zou moeten zijn van een veelomvattender programma. Wat valt er van de PvdD te verwachten op het gebied van integratie? Wat vinden ze van de hypotheekrenteaftrek? Turkije wel of niet bij de EU? Hoe lang moeten we van Marianne Thieme doorwerken voor we met pensioen mogen om geitjes in onze achtertuin te houden?

Nu zijn dat nog vragen die ze in hun programma kunnen beantwoorden, maar zoals we allemaal weten, gaat het straks weer vier jaar over dingen die geen partij in haar programma had kunnen voorzien. De moord op Balkenende (doodgebeten door een Golden Retriever), de oorlog tegen Somalië en de afschaffing van het onderscheid tussen hbo en universiteit: ik zou niet weten waarom de PvdD in dat soort kwesties bij voorbaat mijn vertrouwen verdient.

Solidariteit

Wouter Bos heeft gelijk als hij stelt dat de solidariteit in de Nederlandse samenleving momenteel ver te zoeken is. Toen enkele maanden geleden de tbs’er Wilhelm S. zelfmoord pleegde in zijn cel, hoorde je niemand klagen over het toch wel erbarmelijke gevangenisregime hier te lande. Misschien had dat met Wilhems Germaans aandoende voornaam te maken, maar ik denk het toch niet. Als je geen enorme naïeveling was, zou je nog bijna gaan denken dat een gevoel van gerechtigheid overheerste: opgeruimd staat netjes, had die man meteen de stoel gegeven.

In de Marokkaanse gemeenschap gaat dat er heel anders aan toe. Hoe je echt opkomt voor de zwakkeren in de samenleving was bijvoorbeeld te zien nadat vorig jaar een tasjesdief annex gewapend overvaller die ‘s middags nog op audiëntie mocht bij meneer de rechter ‘s avonds werd doodgereden door een vrouw die haar tasje terug wilde. Overval dan ook geen vrouw in een auto, zou ik zeggen, maar echte broederschap houdt natuurlijk geen rekening met de zwakheid van de zwakkere.

Deze week zijn de moslims in Europa een nieuw solidariteitsoffensief gestart. Amsterdam en Brussel werden kort en klein geslagen nadat twee geloofsgenoten waren omgekomen die in een steekpartij respectievelijk de gevangenis waren beland; laat ik het erop houden dat ook ik een broedertje dood (ha, wat een woordspeling) heb aan stille tochten. Gelukkig leert het westen snel, en is in Berlijn in allerijl een opvoering van een opera afgelast, waarin de afgehakte hoofden van Poseidon, Jezus en Boeddha natuurlijk best getoond hadden kunnen worden, maar dat van Mohammed in geen geval. En dat er in Denemarken een kritisch boek verschijnt met de retorische titel Islamisten of Naïevelingen (ik gok het laatste), moeten we maar als een laatste stuiptrekking beschouwen.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik word er zo langzamerhand een beetje moe van. Zelfs dat PSV verzwakt aantreedt in de Champions League omdat de halve selectie overdag niks mag eten, vind ik inmiddels irritant. Vroeger werd dat nergens vermeld; spelers strompelden halverwege de tweede helft uitgeput van het veld en hadden voor ons naïevelingen dan gewoon hun dag niet. Tegenwoordig blijven ze in het veld staan en geven ze de assist voor de winnende 1-0. Bah.

Er is iets veranderd, maar wat? Ben ik nu ineens zo intolerant geworden? Is Nederland intolerant geworden? Of ben ik gewoon een paar jaar ouder en dus rechtser geworden? Eén ding lijkt zeker, en dat is dat je de schuld tegenwoordig maar beter bij jezelf kunt zoeken.

Sorry hoor, ik word ook een beetje moe van het gezeur waar ik me nu zelf ook schuldig aan maak, dus u moet me mijn gemekker, alsmede deze geitenanalogie, maar niet euvel duiden. Ik heb het er al moeilijk genoeg mee, zeker nu ik de aloude wijsheid ‘ouder dus rechtser’ in combinatie heb gebracht met de toenemende vergrijzing.

Dooced

Jim Bakkum als beste star to dance with, Jody Bernal als grootste sterrendanser op het ijs, Willem van Oranje Pim Fortuyn als grootste van allemaal en desalniettemin als mooiste woord: veertig jaar D66 heeft Nederland toch maar mooi een eerbiedwaardige positie op het mondiale podium van de directe democratie opgeleverd. Oogverblindend mooi zal ons next topmoddol stralen naast de bleken wichten uit Amerika en Australië; neerbuigend kijken wij neer op de Duitsers die geen mooier woord konden bedenken dan habseligkeiten, en met enig leedvermaak noteren we dat de Engelsen in hun geschiedenis geen groter man hebben kunnen terugvinden dan ene Winston Churchill.

(Bij gebrek aan democratie, laat staan directe, is in de Arabische wereld Allah de beste danser, de beste ijsdanser, de allergrootste en ook het nieuwste topmodel, en is akbar het mooiste woord. Gezegend volk, die Arabieren, en wat een beltegoed moeten die hebben! Geen wonder dat ze hun telefoons voor andere doeleinden inzetten, maar dit alles geheel terzijde.)

Wat ik pas echt verbazingwekkend vond, is de uitverkiezing van mother als mooiste Engelstalige woord. Nu kan ter verdediging van deze belachelijke uitslag ingebracht worden het niet de Engelsen zelf waren die dit bepaalden, maar de rest van de wereld, waarbij het onderzoek in Nederland zich vermoedelijk beperkt heeft tot het publiek van 1 Tegen 100 Miljoenenjacht, de aanhangers van de new-agebeweging en het abonneebestand van de Tros Kompas. Mother, passion, smile, love en eternity: de top 5 glibbert werkelijk van je scherm.

Nee, sla dan gewoon een willekeurige pagina van Zadie Smiths White Teeth open, en je hebt discarded, drudgery, napkin, particular en tuxedo (p. 203 van 542).

Maar met afstand het mooiste woord van de afgelopen jaren is toch wel dooced. ‘Dooced’ betekent zoveel als ‘ontslagen worden omdat je op je website iets onaardigs over je baas of werk hebt geschreven’; het overkwam degene achter dooce.com. Dat iemand bedacht heeft dat één woord vanaf een bepaald moment maar die hele mond vol moest gaan betekenen, geeft mij toch weer wat vertrouwen in de mensheid.

God (Allah, mother), wat zou ik op deze plaats graag allerlei doocefähige zaken wereldkundig maken. Maar dat durf ik natuurlijk niet.

Daar zou nou ook een woord voor bedacht moeten worden, voor iemand die te laf is om op zijn website iets onaardigs over zijn werk te zeggen, uit angst dat hij ontslagen wordt. Suggesties? Ik vind zo iemand wel een gooce.

White Teeth

Jaloezie, of misschien moet ik het minder rancuneus ‘afgunst’ noemen, of nee, ‘minderwaardigheidscomplex’, komt met de jaren. Bij mij begon het met Clarence Seedorf, die als 16-jarige debuteerde in het eerste van Ajax (je biecht nog eens iets op, op zo’n weblog). Destijds, en nu nog steeds trouwens, was ik zelf maar een jaartje jonger, en verder dan een Ajax-trainingspak, gekregen voor mijn verjaardag, had ik het niet geschopt. Ik kon op dat moment natuurlijk niet bevroeden dat het in later jaren helemaal niet zo’n voorrecht zou zijn om Clarence Seedorf te zijn, en daarom maande ik mijzelf tot spoed om mijn eigen talenten te gelde te maken. Het zou niet gebeuren.

Tegenwoordig moet ik leven met het gegeven dat kinderen geboren in 1989 gaan studeren. Het gat is inmiddels zo groot dat een zekere gelatenheid zich van mij meester heeft gemaakt. Het gaat nooit meer goedkomen, tussen de tijd en mij. En daarom breng ik zo af en toe maar gewoon gepaste bewondering op voor de prestatie van een talentvol jongmens, zolang het succes tenminste niet al te opvallend te herleiden is tot al te fanatieke ouders.

De afgelopen weken was dat het geval bij het lezen van White Teeth, de debuutroman van Zadie Smith uit 2000. Wie dit boek zou lezen zonder kaft en achterflap (een vilein doch ridicuul idee dat mij werd aangedragen om mij onbewust toch nog in het reine te laten komen met Arnon Grunberg) zou na lezing niet voor mogelijk houden dat de auteur bij publicatie slechts 25 jaren oud was. Niet alleen heeft een normaal mens alleen al een jaar of 25 nodig om meer dan vijfhonderd pagina’s van dit wonderschone Engels bijeen te schrapen; Smith doet daar nog een schepje bovenop door de problematiek van de multiculturele samenleving samen te brengen in de omgang tussen drie families die ieder een van de wereldgodsdiensten aanhangen – nota bene nog voordat deze thematiek door 11 september écht urgent werd. Voor een beetje klassieke mythologie, geschiedenis of filosofie draait ze haar hand trouwens ook niet om.

Een buitengewoon talent dus, deze Zadie Smith. En nu weet ik het dan ook zeker (eerder al hoor, wees niet bang): ik ben een goedwillende doch nietige amateur. Een weblog is een leuk middel om een hobby uit te oefenen, maar ik zou het u niet willen aandoen om dagelijks meer dan twee minuten van uw tijd te vragen.

Tegen de enkeling die hier en daar in de veronderstelling leeft dat er een publiek voor zijn roman is, zou ik dan ook willen zeggen: doe het niet! Voor mij, voor de uitgeverij, voor de recensent, voor het fictieve publiek, en dus uiteindelijk ook voor uzelf. Lees eerst maar eens White Teeth, en kijk dan maar eens of u nog steeds zo hoog van de toren durft te blazen.

Dood

Bin Laden was even dood. Bezweken aan de gevolgen van tyfus, want, zo meldde een Franse krant die was ingelicht door (daar zijn ze immers voor) de Franse inlichtingendienst, die het op haar beurt weer van een betrouwbare bron in Saudi-Arabië had, het dichtstbijzijnde ziekenhuis was te ver weg.

Als dat alles is, mag Bin Laden nog van geluk spreken dat hij zich niet in Nederland schuilhield. Al had het dichtstbijzijnde ziekenhuis op de hoek van de straat gestaan, dan nog was hij niet te redden geweest.

‘Goedemorgen meneer, waarmee kan ik u helpen?’
‘Ik… tyfus… u… helpen.’
‘Zo zo, tyfus! Dat is nogal wat. Hoe bent u daaraan gekomen, denkt u?’
‘Besmet door tyfusamerikaan!’
‘Aha. Nou meneer, mag ik uw naam noteren?’
‘Laden.’
‘Hee, dat is grappig. Volgens mij ken ik iemand die ook zo heet. Bij welke maatschappij bent u verzekerd?’
‘Ik… niet verzekerd.’
‘Dat is niet zo mooi, meneer Laden. Kunt u zich wel legitimeren?’
‘Sorry… paspoort… nog in… grot.’
‘Ai, dan hebben we toch een probleem, meneer, want zo kan ik de kosten van de behandeling niet van uw no-claim afhalen.’

Gelukkig was de Franse president Jacques Chirac er als de kippen bij om het gerucht over Bin Ladens dood te ontkrachten. Als Bin Laden dood was geweest, dan hadden we dat wel gehoord, was de redenering. Ja, en als hij in een ziekenhuis komt om zich aan de tyfus te laten behandelen niet natuurlijk.