Veilig

Beste Ralf Bodelier,

Als de misselijkmakende aanval op 22.000 concertbezoekers, grotendeels kinderen, überhaupt de geschiedenisboeken in zal gaan en dus niet vergeten zal worden tussen de tientallen mogelijk nog ziekmakender gevallen die nog zullen volgen, dan is het als een aanslag waarbij 22 doden vielen. Een relatief klein aantal, waarin jij een rechtvaardiging ziet om nog altijd, na Parijs, na Brussel, na Nice, na München, na Saint Etienne du Rouvray, na Berlijn, na Istanbul, na Londen, na Stockholm, na voor de zoveelste keer Parijs en na Manchester – met excuus voor mijn selectiviteit – een tijdsgewricht in de recente geschiedenis te vinden waarin het getalsmatig nóg erger was. Hiermee tracht je je dochter gerust te stellen: ‘kleiner dan ooit’ noem je de kans dat wij ‘door oorlog, terrorisme of moord getroffen worden’.

Het is mooi dat je spreekt over ‘getroffen worden door’ en in het vervolg van je betoog duidelijk maakt wat je daaronder verstaat, namelijk ‘omkomen bij’. Het aantal doden vormt immers het enige gegeven waarmee je beargumenteert dat het volgens jou in 1977 ‘veel gevaarlijker’ in Europa was dan nu. Ik moet concluderen dat je van mening bent dat uitsluitend de tweeëntwintig doden in Manchester ‘getroffen zijn door oorlog, terrorisme of moord’, maar niet de zestig gewonden en de tweeëntwintigduizend aanwezigen. Zij, grotendeeels dus kinderen met nog een heel leven voor zich, kunnen wat jou betreft rustig gaan slapen: er is relatief weinig aan de hand.

Nu is het prijzenswaardig dat je je dochter een mooie toekomst in het vooruitzicht wilt stellen, maar stellen dat het in 1977 ‘veel gevaarlijker’ was in Europa, is ongeveer hetzelfde als er na de wereldwijde cyberaanval met Wannacry op wijzen dat er in 1999 veel meer computervirussen rondwaarden. De vergelijking is krom, getalsmatig zeer dubieus en bovenal volkomen irrelevant.

Waarom, beste Ralf, ga je zo angstvallig en opzichtig op zoek naar houvast om de dreiging van islamitisch terrorisme, waar je dochter nog jaren mee te maken zal hebben, te bagatelliseren? Waarom laat je, in een betoog over de veiligheid in Europa, de ‘huidige jihadistische terreurgolf’ niet beginnen bij de Bataclan in november 2015, maar in New York in 2001, overigens zonder de 3000 doden die daar vielen mee te nemen in je berekeningen? Vanwaar dat gegoochel met cijfers om maar de gewenste conclusie te kunnen trekken? Bij welk precieze aantal doden binnen welke periode en welke geografische grenzen concludeer jij dat het niet meevalt en dat het nu minder veilig is dan in 1977?

Maar vooral: waarom is dat van belang? Wat heeft je dochter eraan dat er decennia geleden in ons omringende landen interne conflicten woedden die levens eisten, als zij zelf in het hier en nu geconfronteerd wordt met extreme veiligheidsmaatregelen die ik me in ieder geval niet kan herinneren van, pak hem beet, de huldiging van het Nederlands Elftal in het zeer gevaarlijke jaar 1988? Als je dochter met een zware griep en hoge koorts op bed ligt, stel je haar toch ook niet gerust met de boodschap dat ze in ieder geval geen kanker heeft?

Beste Ralf, ik wil je geen angst aanpraten. Net zo min als jij kan ik in de toekomst kijken. Misschien heb je gelijk en waait de storm wel over, voor zover je daar nog van zou kunnen spreken. Maar misschien doet hij dat niet en blazen de aanhangers van het islamitische extremisme zelfs het meest bagatelliserende statistiekje aan diggelen. De ontwikkelingen in de afgelopen anderhalf jaar in ogenschouw nemend is dat niet een heel onwaarschijnlijk scenario. Je dochter hoeft er niet bij om te komen om er toch ongelooflijk bang voor te zijn.

Laat je dochter vooral positief in het leven staan en naar concerten en festivals gaan. Maar de drie rijen beveiliging waar zij doorheen moet, staan daar niet omdat Facebook en Twitter tien, twintig, dertig of veertig jaar geleden niet bestonden. Die staan er omdat er helaas een reële dreiging is die er eerst niet was en die nog altijd groeiende is. Met het relativeren van die dreiging is niet veel mis, maar als dat tegen beter weten in gebeurt wordt het bagatelliseren, en dat is pas echt gevaarlijk.

Veilig

Vrij

Een lichte euforie moet zich meester hebben gemaakt van het Comité 4 en 5 mei toen de resultaten van het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2017 binnendruppelden. De 896 respondenten uit de database van TNS NIPO, die zo representatief is voor de gehele bevolking dat ondergetekende (gewone man, brave belastingbetaler, geen strafblad, gemiddeld postuur) er nog nooit voor benaderd is, bleken zich voorbeeldig gedragen te hebben en nóg sociaal wenselijker antwoorden gegeven te hebben dan de deelnemers van vorig jaar.

Het nieuws waarmee het Comité vooral naar buiten treedt – steeds meer Nederlanders vinden dat Bevrijdingsdag een nationale vrije dag moet worden – is, toevallig of niet, de enige onderzoeksuitkomst die in de verantwoording niet wordt behandeld. Toch schijnt dit jaar 70% te vinden dat 5 mei een vrije dag voor iedereen moet zijn, en vorig jaar nog maar 60%.

Er even van uitgaande dat deze wijziging niet verklaard wordt door de aanwas van nieuwe jonge respondenten die niet vaak genoeg stil kunnen staan bij de verschrikkingen van de oorlog, en het overlijden van oude die er een beetje klaar mee waren, moeten er dus mensen zijn die in een jaar tijd radicaal van mening zijn veranderd. Graag was ik meer te weten gekomen over de loutering die deze mensen het afgelopen jaar hebben doorgemaakt.

Ook de onderzoeksmethode intrigeert me mateloos, want hoe ontmoedigend moet de vraagstelling in vredesnaam zijn geweest als maar liefst 30% – en vorig jaar dus zelfs 40% – aangeeft géén prijs te stellen op een vrije dag? Een snelle rondgang langs mijn timmerman, financieel adviseur en huisdier leert dat een lobby voor een vrije dag op, pak hem beet, 24 juni (of 13 januari, maar dat heb ik niet onderzocht) net zo goed op de steun van ten minste tweederde kan rekenen (ik respecteer uiteraard de privacy van mijn respondenten).

Ondanks deze kanttekeningen is het Comité duidelijk in zijn nopjes met de uitkomsten van zijn eigen onderzoek en presenteert het deze met een zeker triomfantalisme. Als zeven op de tien Nederlanders vinden dat 5 mei een vrije dag moet zijn, waarom gebeurt het dan niet gewoon, politiek?

Welnu, wie werkelijk ziet hoe de vork in de steel zit, ontwaart een veel somberder beeld. Om te beginnen zijn weliswaar steeds minder, maar nog altijd ongeveer een half miljoen Nederlanders werkloos. Hun mening doet er in dezen met alle respect niet al te veel toe, maar als ze ergens belang bij hebben, is het wel dat iedereen zo veel mogelijk doorwerkt.

Zelf ben ik al sinds mijn geboorte vrij op Bevrijdingsdag. Gewoon, omdat ik in een vrij land woon, maar ook omdat ik samen met honderdduizenden anderen werk bij een (semi-)overheidsinstelling waar men bij het minste of geringste het werk neerlegt. Ook voor hen verandert er niets indien 5 mei een vrije dag voor iedereen wordt. Voeg daarbij de kinderen, jongeren, studenten, gezinnen die de hele meivakantie in het buitenland doorbrengen en de gepensioneerden, en de conclusie moet zijn dat verreweg de meeste Nederlanders al lang en breed niet hoeven te werken op Bevrijdingsdag.

Persoonlijk vind ik het wel prettig dat als ik dan toch niet hoef te werken, ik met het openbaar vervoer kan reizen, boodschappen kan doen of, mocht het echt nodig zijn, een openhartoperatie kan ondergaan. Maar sinds de Albert Heijn om de hoek alleen nog gesloten is tussen 2 en 4 uur ’s nachts als Orion en Mercurius in één lijn staan, zijn dat allemaal dingen die nu ook al kunnen op alle dagen die wél officieel als feestdag gelden.

Het onderzoek moet wel betrekking hebben op het deel van de beroepsbevolking dat deze verworvenheden van de welvaartsstaat mogelijk maken: behalve de treinconducteurs, vakkenvullers en chirurgen ook de winkeliers, de kappers en natuurlijk de mensen achter de bar. Uit onderzoek in opdracht van het Comité 4 en 5 mei blijkt dat steeds minder van hen het ook maar iets lijkt te kunnen schelen of de mensen die een welverdiende vrije dag hebben, daar al dan niet comfortabel van kunnen genieten.

Steeds meer Nederlanders willen dat Bevrijdingsdag een nationale vrije dag wordt? Nee: steeds minder Nederlanders zijn bereid om op Bevrijdingsdag hun handen uit de mouwen te steken om dit land uit de drek te trekken. Dat dit sentiment uitgerekend op een dag als 5 mei opborrelt, illustreert met een bittere symboliek hoe het met onze naastenliefde gesteld is.

Hè, heerlijk toch, zo’n meivakantie. Je komt weer eens toe aan het schrijven van een onzinnig stukje.

 

P.S. Gevraagd naar welke vrije dag zou moeten sneuvelen in het geval Bevrijdingsdag een nationale feestdag wordt, kiest drie op de tien de nationale feestdag genaamd Goede Vrijdag. Dat betekent óf dat er mensen bestaan, en veel ook, die wel vrij zijn op Goede Vrijdag maar niet op Bevrijdingsdag, óf dat de respondenten niet representatief zijn, óf dat ze volslagen imbeciel zijn, óf een combinatie van dit alles.

Vrij

Smaakpolitie

In hetzelfde jaar waarin we voor het eerst een Tweede Kamervoorzitter van Marokkaanse origine kregen en de immens populaire islamitische burgemeester van wereldstad Rotterdam wellicht een gooi doet naar het lijsttrekkerschap van een, toegegeven, enigszins gedecimeerde arbeiderspartij, vond een voormalige videojockey, modeontwerpster en presentatrice van het educatieve spelprogramma Sexquiz on the beach het racistisch gehalte van de Nederlandse samenleving zo onacceptabel hoog geworden dat zij hier iets aan moest doen, en zich daarom aansloot bij DENK, een beweging die geen onvertogen woord over de fascist Erdogan durft te laten vallen, en zich weigert uit te spreken over de Armeense genocide kwestie.

Het zijn voorwaar verwarrende tijden.

Je kunt je afvragen hoe de reacties waren geweest als niet Sylvana Simons maar – pak ‘m beet – Caroline Tensen een gooi naar het Kamerlidmaatschap zou hebben gedaan. Me dunkt dat ze niet direct onverdeeld lovend zouden zijn geweest – met dit verschil dat we Caroline Tensen gewoon een stom wijf kunnen vinden, maar Sylvana Simons al snel een stom wijf vinden omdat ze zwart is.

Het behoeft geen betoog dat Sylvana een hoop onverkwikkelijks over zich heen gekregen. Daar zaten ronduit racistische uitlatingen tussen, maar gelukkig hebben wij een wetboek en rechters die daar een oordeel over vellen. Voor het overige waren het óók steekhoudende kanttekeningen bij een zichzelf overschattende BN’er die zich aansluit bij een bijzonder bedenkelijk clubje. Kan het zijn dat opmerkingen die Caroline Tensen lijdzaam zou hebben moeten ondergaan – zeg maar de lading stront die 100% van de goeddeels blanke gasten van Pauw over zich uitgestort krijgt – toegepast op Sylvana Simons afgedaan worden als racisme?

Komende maand gaan 59.000 Nederlanders bij Danny Blind op de bank het EK kijken. Niet echt natuurlijk; het gaat hier om volstrekt onschuldige satire ten koste van onze bondscoach, die er natuurlijk ook niks aan kan doen dat hij Blind is. Zou de grap zijn onschuld behouden als niet Blind maar Clarence Seedorf de falende coach was geweest? Ik mag hopen van wel, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de beschuldiging van racisme tegenwoordig wel erg snel op de loer ligt.

Maar ja, zeg nog maar eens dat negers behalve een grote pik ook ontzettend lange tenen hebben.

Rapper Gikkels werd onlangs bij Nieuwsuur een uur lang geen strobreed in de weg gelegd om te betogen dat het gehele systeem in de Nederlandse samenleving door en door racistisch is. Aangezien ik onze staatsomroep tot dat systeem reken vond ik zijn betoog niet al te veel hout snijden, maar – of eigenlijk: want – hij kon het wel allemaal zeggen. Het bizarre is nu dat het beeld van ‘de’ witte Nederlander als racist – op zich een racistische zienswijze – op zo veel bijval kan vallen van… de witte Nederlander. Hoeveel zelfhaat kan een mens bezitten?

Sylvana zelf hoorde ik bij RTL Late Night zeggen dat ‘iedereen wel voor de vrijheid van meningsuiting is’, maar de vrijheid om iedereen te beledigen, nee, daar kon ze niet achter staan. Nu hoor je politici zichzelf wel vaker tegenspreken, maar zo bij je debuut, en dan ook nog eens binnen één volzin, dat was toch wel bijzonder.

Het wil er maar niet in dat de vrijheid van meningsuiting de vrijheid van beledigen impliceert. Mensen die hun zin beginnen met ‘Ik ben voor de vrijheid van meningsuiting, maar…’ bewijzen in het vervolg doorgaans waarom zij tegen de vrijheid van meningsuiting zijn.

Wat deze mensen bindt, is de opvatting dat je weliswaar alles moet kunnen zeggen, maar dit nog niet betekent dat je dat ook moet doen. Een sympathiek idee, goed toepasbaar als voornemen voor eigen gebruik, maar volstrekt onhoudbaar als norm, en stelselmatig vergeet men dan ook te vermelden wie het gaat beoordelen als anderen deze gouden regel overtreden, en welke sanctie daar dan op staat.

Het is simpel: als je voor de vrijheid van meningsuiting bent, is je houding ten opzichte van beledigingen een kwestie van smaak. Meneer Erdogan, die ik overigens een lul vind ook al betwijfel ik dat hij de liefde bedrijft met evenhoevigen, heeft met zijn doldwaze aanklacht tegen de komiek Böhmermann in Duitsland feilloos aangetoond wat er gebeurt als je hieraan tornt. Dat zijn strapatsen op zelfs maar enige sympathie kunnen rekenen binnen de grenzen van Europa vind ik uitermate kwetsend. Helaas geniet Erdogan massale steun in Europa, en dat zich afkeren van de westerse verworvenheden vind ik nu eens een probleem. Probeer dat nog maar eens ter discussie te stellen zonder het voor de hand liggende verwijt naar je hoofd geslingerd te krijgen.

Gelukkig komt er hulp van Facebook, Twitter en YouTube, die nu beloven om kwetsende teksten sneller te gaan verwijderen. Ik ben benieuwd hoe hun smaakpolitie mij gaat faciliteren; het is een godsonmogelijke opgave.

Er is – behalve de gang naar de rechter – maar één zinvol advies voor wie niet gediend is van een belediging aan zijn of haar adres: negeren. Maar dat woord zal ook wel weer racistisch zijn.

Smaakpolitie

De wet van Grunberg

In tijden van crisis leer je je vrienden kennen, en dus stond deze week plotseling mijn halve Facebook-timeline vol met een Voetnoot van Arnon Grunberg.

Die citeerde met instemming een Israëlische minister, die op het hoogtepunt van de Tweede Intifada volhield dat er nog altijd meer verkeersdoden in Israël vielen dan dat er mensen stierven aan terrorisme. Om deze reactie vervolgens te prijzen tegenover die van staten die hun vrije samenleving omvormen tot politiestaat, zoals ‘de heer Wilders’ voorstaat.Voetnoot Grunberg 23 maart 2016

Hier gaan een paar dingen verschrikkelijk mis. Wie de dodelijke slachtoffers van terroristische aanslagen vergelijkt met verkeersdoden, vergelijkt mensen die bij een aanslag gewond raken met mensen die ongelukkig van hun fiets vallen, en de mensen die een metro eerder hadden dan die ene die werd opgeblazen met mensen die ook wel eens langs de boom rijden waartegen zich laatst een dronkenlap te pletter reed.

De man die op 15 april 2013 bij de Boston Marathon ging kijken, op 13 november 2015 in Parijs was en afgelopen dinsdag zwaar gewond raakte op vliegveld Zaventem (hij bestaat), moet volgens deze redenering vooral goed blijven opletten bij het oversteken, omdat de kans nogal groot is dat hij in zijn Mormoonse dorp onder een paard-en-wagen belandt.

De relativering van de dreiging en het ‘Gaat u maar rustig slapen’ zijn natuurlijk hartstikke goed bedoeld, maar tegelijk een tikkeltje naïef, om niet te zeggen volkomen misplaatst, en welbeschouwd nogal onbeschoft tegenover de nabestaanden en de honderden, zo niet duizenden overlevenden die met een levenslang trauma zijn opgezadeld.

Maar er gebeurt hier nog iets kwalijks. Wanneer je, zoals ik, niet in staat bent de moreel superieure zienswijze tot je te nemen, ben je door Grunberg en de zijnen automatisch veroordeeld tot het kamp Wilders. Dan wil je een politiestaat, dan wil je alle grenzen dicht en dan wil je preventieve opsluiting. Er zit niets tussen, en zolang alle politieke partijen blijven vervallen in wegkijken, alleen maar uit angst om met Wilders geassocieerd te worden, ben ik bang dat dit nog overeenkomt met de werkelijkheid ook. Ik bevind mij als burger echter wel degelijk tussen deze twee extremen: ik weet dat ‘grenzen dicht’ het probleem niet oplost, maar erken op zijn minst dat ‘grenzen open’ dat zeker ook niet doet. Ik wil geen politiestaat, maar weet ook dat we het gevaar niet kunnen beteugelen zonder ingrepen die indruisen tegen de vrijheid die we ooit verworven maar verkwanseld hebben.

Dat Wilders er met zijn haren wordt bijgesleept, is om nog een reden merkwaardig. Want hoewel zijn kapsel ertoe uitnodigt: waarom is het na zo’n aanslag belangrijker om de pijlen op hem te richten dan om stil te staan bij de horreur die onze samenleving binnen is geslopen? Wat is dat voor merkwaardige afleidingsmanoeuvre? Gebeurt hier niet waar Wilders juist voor waarschuwt, en zouden we er niet verstandiger aan doen om toe te geven dat helaas opnieuw een klein deel van zijn inktzwarte wereldbeeld bewaarheid is geworden? Waarom moeten bananen wel recht zijn als Wilders zegt dat ze krom zijn?

Ontkenning boven erkenning. De wetmatigheid die zich hier voor lijkt te doen is een soort omgekeerde Godwin: naarmate er meer aanslagen komen, wordt de vergoelijkende vergelijking met verkeersdoden, keukentrapjes, de bliksem of aanslagen elders steeds sneller gemaakt.

De grote vraag is wanneer voor deze mensen de maat dan wel vol is, als die dat nu nog niet is? Is dat wanneer er bij terreur wel net zo veel dodelijke slachtoffers vallen als in het verkeer? Als een kerncentrale wordt opgeblazen? Moet er een aanval met chemische wapens plaatsvinden? Je zou verwachten dat dit moment allang is aangebroken, maar verrassend veel mensen weten te volharden in hun intussen prijzenswaardige naïviteit.

Een zinvolle en relevante vergelijking zou zijn: ‘Er vallen meer doden door moslimterreur in Europa dan voordat de moslimterroristen zich in Europa nestelden.’ Wij leefden in een samenleving waarin het journaal opende met het verplicht stellen van dodehoekspiegels voor vrachtwagens, omdat verkeersdoden ons grootste probleem waren. Zichzelf opblazende fundamentalisten, homohaat en vrouwenonderdrukking waren zaken die zich ver van ons bed afspeelden. Zonde dat de rest van de wereld nog niet zo ver is als wij, dachten we dan.

Ik wil gewoon Harmen Siezen terug die de invloed van zadelpijn op het dalende geboortecijfer duidt. Wie dat ook wil, zal toch echt door wat andere pijntjes heen moeten.

De wet van Grunberg

Waarom we de PVV voortaan PFF moeten noemen

Nu aanslagen door moslimterroristen niet meer met tussenpozen van enkele jaren plaatsvinden maar aan de orde van de dag zijn, leggen steeds meer mensen een verband tussen terreur en de islam, en zijn zij bezorgd over de dreiging die hiervan uitgaat voor de westerse maatschappij. Dat is echter koren op de molen van Geert Wilders; dit is precies wat hij wil.

De aanslagen in Parijs waren een aanval op onze wijze van nieuws consumeren. De terroristen wilden dat er in het journaal even geen agenten te zien waren die met vluchtelingen een balletje trappen, en dat er in de krant even geen diepgravende analyses te lezen waren waarom moslims per definitie geen terroristen kunnen zijn, en als ze het dan toch zijn, het alsnog vooral onze eigen schuld is. Ze wilden ons gevoel van veiligheid bij het kennisnemen van al deze geruststellingen ontnemen.

Het laatste wat we nu moeten doen, is hieraan toegeven en aandacht gaan schenken aan media die er bijvoorbeeld op wijzen dat tweederde van de moslims in Europa de wetten van de Koran belangrijker vindt dan de wetten van het land waarin ze leven. Of die zich afvragen of het binnenhalen van zo veel migranten in een land dat kennelijk zo racistisch is en waar buitenlanders zo weinig kansen hebben, eigenlijk wel verstandig is. Dat is namelijk precies wat de haatzaaiers willen! Zij willen dat wij zo gaan denken, dus als wij dat doen, wint Wilders!

Blijf daarom vooral genieten van de voetballende agenten op het journaal en die genuanceerde stukken in de krant. Een genuanceerde mening is immers gebaseerd op genuanceerde media, en niet op een volledig beeld van genuanceerde én ongenuanceerde media. Schakel dus niet, ik herhaal NIET, in op programma’s als Studio Powned, want je zou beelden van vluchtelingen kunnen zien die niet voetballen maar homohaat prediken, of ontdekken dat niet 20% neurochirurg maar analfabeet is. En blijf ook vooral volharden in die zelfhaat, want het is ook allemaal onze schuld uiteindelijk. In zelfkritiek en zelfreinigend vermogen staan wij schouder aan schouder met de moslims. Geef niet toe, want dat speelt Wilders alleen maar in de kaart!

U zult misschien tegenwerpen dat deze aanpak van volledige ontkenning en wegkijken wel heel passief is. Kunnen we dan helemaal niets ondernemen tegen Wilders?

Zeker wel. Wilders wil graag uitstralen dat hij een partij is, maar dat is hij niet, en met vrijheid hebben zijn standpunten al helemaal niets te maken. Door zijn beweging PVV te noemen, doen we precies wat hij wil. Stop daarmee en doe wat verschillende Arabische leiders al doen: in plaats van PVV de term PFF gebruiken. Hiermee negeer je de partij-aspiraties van Wilders en zorg je ervoor dat de term ‘vrijheid’, die ons allen lief is, niet besmet raakt.

In tegenstelling tot PVV (waarvan je de letters afzonderlijk uitspreekt) is PFF een acroniem, dat staat voor ‘Partei für die Freiheit’. Dat is Duits voor ‘Partij voor de Vrijheid’ en daardoor nog steeds accuraat, maar, afhankelijk van hoe het wordt uitgesproken kan PFF ook allerlei negatieve associaties hebben: van een moedeloze verzuchting tot een leeglopende fietsband.

Dat zal hem leren!

Waarom we de PVV voortaan PFF moeten noemen

Eagles of Death

Een eenvoudige les over het venndiagram zou het voorspelbare debat na de aanslagen in Parijs een stuk op weg kunnen helpen. Een venndiagram toont de relaties tussen verschillende verzamelingen via overlappende cirkels:
Venn-Diagram

Vertaald naar de verzamelingen ‘moslims’ (anderhalf miljard), ‘extremisten en hun sympathisanten’ (onbekend) en Anders Breivik (1) zou dat er zo uit kunnen zien:

venn-extremisme

Voor de goede orde: het groene vlak is dus niet op ware grootte, omdat iedereen ook wel zal begrijpen dat er niet anderhalf miljard extremisten op aarde rondlopen. Wel is het cirkeltje Breivik omwille van de zichtbaarheid enorm uitvergroot.

Mensen die bang zijn voor moslimterreur, zijn bang voor het groene vlak. Logischerwijs valt daaruit op te maken dat het niet gaat om alle moslims, maar (voor dit debat) wel om alléén moslims. Het argument dat een heel geloof over één kam wordt geschoren, is dus aantoonbare lariekoek, en volgens mij zijn er ook maar bar weinig mensen die beweren, of zelfs maar suggereren, dat het groene vlak de hele moslimcirkel overlapt. Dus wanneer men de hashtag #MuslimsAreNotTerrorist gebruikt, dan geeft dat uiting aan een onweersproken waarheid. Echter: de terrorists zijn wel muslim.

Dat er naast het groene vlak ook nog andere extremisten bestaan en bestonden, is leuk voor aan de borreltafel, maar doet niet echt terzake. De introductie van de dodehoekspiegel bij vrachtwagens werd ook niet tegengehouden door het feit dat er óók veel mensen verkeersdoden veroorzaakt worden door personenauto’s. Maar zelfs de vergelijking zelf is een flagrante bagatellisatie van het moslimgeweld dat ons bedreigt. De andere extremisten leefden 70 tot duizend jaar geleden, zijn minder of in het geheel niet bedreigend voor onze samenleving, passen minder (extreem) geweld toe, ze streven niet naar wereldheerschappij of hij handelde vijf jaar geleden in zijn eentje.

Dan zijn er nog de mensen die beweren dat het groene vlak in het geheel niet overlapt met de moslimcirkel: ‘dit heeft niets met de islam te maken’. Een merkwaardige opvatting, gezien het feit dat de daders bij voortduring Allah is groot roepen en behoren tot een groep die zich Islamitische Staat noemt, die wetten invoert die gebaseerd zijn op hetzelfde boek als waar zij zelf hun geloof op baseren.

Op zich is dat nog wel te begrijpen, want met deze groep barbaren wil een weldenkend mens zich natuurlijk nooit binnen welk overlappende cirkeltje dan ook bevinden. Dezelfde mensen zeggen echter dat anderhalf miljard moslims deze daden verafschuwen, en dat klopt natuurlijk niet: dan zul je van die anderhalf miljard op zijn minst de schurken moeten aftrekken. Daartoe behoren, zo neem ik aan, de leden die half Syrië, Irak en Libië bezet houden, de mafketels van Boko Haram, de hoofdafhakkers uit Saudi-Arabië etc. etc. Hoe marginaal die groep in verhouding tot het totaal ook is (heeft iemand een idee?), het betreft in ieder geval niet een hobbyistenclubje met teruglopend ledenaantal.

Als we er ook de sympathisanten toe rekenen, en waarom zouden we dat niet als het toch niets met de islam te maken heeft, dan belanden we op een lastig, want subjectief terrein. Want wanneer ben je sympathisant van extremisme? Val je dan uit de cirkel of blijf je erbinnen en verhuis je een stukje in de richting van het groene vlak? Kun je moslim zijn en deze acties goedkeuren? Of er begrip voor hebben? En waar ligt dan de grens? De scheidslijn is vaag, en juist dat maakt het, hoe vervelend dat ook is voor al die onschuldigen in het witte vlak, met ieder nieuw bloedvergieten steeds urgenter voor moslims om duidelijk te maken waar zij staan.

Dat er helaas gerede aanleiding is om te twijfelen aan hun stellingname bewijze de timeline van mijn dochter op social media. Net zoals de mijne staat die vol met, zo vind ik zelf, obligate #prayforparis’en, Banksy’s Jean Julliens en Franse vlaggen. Maar de stroom wordt af en toe onderbroken door de bijdragen van haar moslimvriendinnetjes, waarin staat Fuck Paris, Pray for Gaza. Het is er niet één, het zijn er meer, en omgekeerd is er niet één die wél een Eiffeltoren plaatst of haar hoofddoek blauw-wit-rood laat kleuren.

Het zijn meisjes van 12, 13 of 14 jaar. Brave kinderen in 2 havo, die, zo veronderstel ik, bij uitstek bedoeld worden als men het heeft over die overgrote meerderheid die wij niet in het verdomhoekje moeten plaatsen. Die het slachtoffer zijn van ons ‘racisme’. Maar hoe worden deze kinderen opgevoed? Welke lessen krijgen zij op dit moment mee van hun ouders? Aan wie zullen zij loyaal zijn als het er straks echt op aankomt?

In het nieuws lees ik dat Nederlandse moslims de aanslagen veroordelen. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat het zo is, en put hoop uit de woorden van Aboutaleb, die erkent dat het een probleem van de islam is en inziet dat het extremisme weggevaagd moet worden en dat alleen kan als moslims erkennen dat het een probleem van hen is. Of uit die van een jongerenimam, die zegt: We kunnen niet blijven zeggen dat het niets met de islam te maken heeft.’

Maar hoeveel vertrouwen moet ik hebben zolang de kinderen Fuck Paris, Pray for Gaza roepen?

Eagles of Death

Angst

In een dorpje nabij Genève huist de nog weinig bekende maar o zo belangrijke Commissie voor de Registratie van Dodelijke Ongevallen met Keukentrapjes van de Verenigde Naties (UNCRFAKS). Zondag onthult angstpsychiater Damiaan Denys in Zomergasten welke mysterieuze machten in werking treden wanneer een mens een misstap op de keukentrap begaat, zodanig dat geen enkel fataal ongeval aan de aandacht van de UNCRFAKS ontsnapt. De telling is zo secuur als een Zwitsers uurwerk: ieder jaar is voor het huiveringwekkend aantal van achtentwintighonderd mensen de keukentrap het laatste station op de trein van het leven.

En precies daarom, betoogt de angstpsychiater, kunnen we na de verijdelde aanslag in de Thalys van vorige week met een gerust hart de trein blijven nemen. De kans dat je overlijdt aan een terroristische aanslag is namelijk te verwaarlozen ten opzichte van de kans op keukentrapfalen. Je vraagt je af waarom de accijnzen op keukentrapjes nog niet drastisch verhoogd zijn, en Blokker ze nog altijd zonder sticker ‘Keukentrapjes zijn dodelijk’ en schokkende foto’s van hevig letsel mag verkopen.

We kunnen veilig stellen dat de kans om te overlijden aan een aanslag in Nederland niet al te groot is. De wanhoop waarmee statistici proberen de bangebroeken gerust te stellen, boezemt mij echter de nodige angst in. Voor zover je een emotionele reactie al kunt beteugelen met kille cijfers, doe het dan in ieder geval met realistische getallen en vergelijkingen.

De keukentrap was voor mij eerlijk gezegd nieuw, maar steevast worden vergelijkingen getrokken met slachtoffers van bomen, onweer, het verkeer of een combinatie daarvan. Daar valt het nodige op af te dingen. Wie door de bliksem getroffen wordt, bevindt zich bijvoorbeeld doorgaans buiten. Als je gewoon binnen blijft als er noodweer uitbreekt, wat een normaal en rationeel mens doet, zul je niet getroffen worden; hooguit donder je van een keukentrapje als je na afloop een lampje moet verwisselen.

De kans dat je getroffen wordt door de bliksem wordt een stuk groter als je bij iedere onweersbui het open veld in rent. De kans op verdrinking een stuk groter wanneer je je met te veel mensen in een gammel bootje op open zee begeeft. Wanneer het dodental in het verkeer niet alleen in absolute zin wordt beschouwd maar ook wordt afgezet tegen het aantal verkeersdeelnames, dan wordt duidelijk dat de kans dat je bij deelname aan het verkeer overlijdt een heel stuk kleiner is dan wanneer je deelneemt aan een terroristische aanslag.

Het kardinale punt is natuurlijk dat die aanslagen gelukkig nogal schaars zijn. Dat, en alleen dat, is de reden dat je weinig kans loopt om bij een aanslag om te komen. Maar waarom dan zeggen dat die kans ‘een miljoen keer kleiner dan bij een auto-ongeluk’ is? In 2013 vielen wereldwijd 1,24 miljoen verkeersdoden te betreuren. Dat zou neerkomen op nog geen vijf terreurslachtoffers per vier jaar; dat er meer verkeersmiddelen bestaan dan de auto laat ik dan gemakshalve nog maar even buiten beschouwing.

Zelfs bij het geruststellend bedoelde aantal slachtoffers van zeven in één jaar (2013) in heel Europa steekt dat schril af. Maar ook dit aantal is nog de meest rooskleurige voorstelling van zaken, om de mensen maar gerust te stellen. Rusland werd dat jaar Europees kampioen volleybal, maar behoort in deze telling even niet tot Europa omdat we anders de aanslagen in Volgograd (31 doden) hadden moeten meetellen. Denys kiest 2013 als gunstig peiljaar, terwijl het vele malen relevanter was geweest om gewoon het jaar te nemen waarin we nu leven – maar ja, in 2015 stond de teller na amper een week al op zestien. Ook zal de meest strikte definitie van ‘aanslag’ gehanteerd zijn, waardoor slachtoffers van verwarde types of suïcidale piloten niet worden meegerekend. Daar bang voor zijn is namelijk een heel ander soort angst, en daar hebben we het nu even niet over.

En dan hebben we het alleen nog maar over de doden. Het komt ook wel eens voor dat iemand een keukentrapje beklimt en niet aan zijn verwondingen overlijdt. Er zijn verhalen bekend van mensen die in een auto stappen en ook daadwerkelijk heelhuids arriveren op de plaats van bestemming. En ja, zo zijn er ook mensen die een aanslag meemaken en overleven.

De verijdelde aanslag in de Thalys gaat de geschiedenis in als een aanslag (of, als het beter uitkomt voor het punt dat je wilt maken, helemaal niet als aanslag) waarbij 0 doden vielen. Als zodanig zal het geen enkele invloed hebben op alle kansberekeningen van de angsttemmers, ook al stond er een schutter met negen magazijnen aan munitie klaar om een bloedbad aan te richten.

De 554 inzittenden hebben kennelijk niets meegemaakt waar andere mensen bang voor hoeven te zijn. Je hebt wat vertraging bij aankomst, maar ach, dat zijn we toch al gewend. Niemand is bang dat er een aanslag plaatsvindt waarbij hij gewond raakt, aanwezig is of mensen kent die erbij omkomen of gewond raken. Of dat je die dag toevallig net thuis werkte, of een trein eerder of later had. Of überhaupt dat de samenleving waarin je vreedzaam leeft getroffen wordt door dit soort idiotie. Nee, we zijn alleen bang om zelf te sterven, en die angst is, zo blijkt uit de cijfers, volslagen nonsens.

Welnu, ik ben overal bang voor, dus ook voor onweer, maar de volgende keer dat ik met knikkende knieën een keukentrapje op stap, troost ik mij in de gedachte dat de kans dat ik fysiek dan wel geestelijk getroffen word door een aanslag groter is dan dat ik gerapporteerd zal moeten worden aan de UNCRFAKS.

Angst